Leestijd: < 1 minuut

Enkele weken geleden was ik bij een crematie. Er waren zestig nabestaanden. Enkele tientallen anderen bekeken de dienst online.

De dood was precies op tijd gekomen. Verdriet en berusting liepen hand in hand tijdens de dienst, waar veel zeventigers en nog levende tachtigers uit de familie aanwezig waren.

Na afloop werd er groentesoep en – het was in Brabant – worstenbrood geserveerd. Mensen zaten samen aan tafels, vlak naast elkaar, te eten, drinken en herinneringen op te halen.

En zoals het gaat met uitvaartdiensten: bij het afscheid neemt men de tijd voor elkaar. Aandacht is het mooiste dat een mens kan geven.

Dat ging staand, veelal zonder mondkapjes. Hier en daar werd gehugd, getroost, een arm om iemands schouder gelegd.

Op de terugweg naar Amsterdam, in de auto met mondkapjes op, verbaasden mijn reisgenoot en ik ons erover dat de regels in uitvaartcentra formeel misschien streng zijn, maar in de praktijk, ook bij de vele kwetsbare ouderen die aanwezig waren, geen stand houden zodra mensen elkaars warmte willen voelen.

‘Ikwas vanmiddag wel blij dat ik geen restauranthouder ben,’ zei ik tegen mijn reisgenoot. ‘Ik denk dat ik gek was geworden.’

We zijn vier weken verder. Er heeft zich geen uitbraak van Corona-gevallen voorgedaan in de aanwezige families.