Noem me een watje, maar als ik twee mannen samen in één microfoon zie zingen dat ze elkander ooit zwoeren dat ze bloedbroeders waren, dat ze beloofden dat ze dat nooit zouden vergeten, elkaar niet zouden verraden, nooit zouden overgeven, als ik dat Little Steven en Bruce hoor zingen en met eigen ogen zie dat er van deze onbezonnen, naïeve jongensbeloftes een half mensenleven later geen woord gelogen blijkt te zijn, dan krijg ik kippenvel.

En ach, al kan de bijna zeventigjarige Clarence Clemonce eigenlijk al jaren geen saxofoonsolo’s meer spelen van meer dan drie noten: bloedbroeders zet je niet uit de band, al moeten ze hem bij de volgende tournee in een rolstoel het podium opduwen. No retreat baby, no surrender.

Wat maakt concerten van Bruce Springsteen nu tot gebeurtenissen die een mens tot in het diepst van zijn ziel kunnen raken? Natuurlijk, een concert van Springsteen duurt bijna langer dan het hele leven van Kurt Cobain, maar dat is het niet. Natuurlijk, de meeste nummers zijn nog imponerender dan op de plaat, maar dat hebben meer artiesten. Natuurlijk, zijn teksten geven je het gevoel dat je in zijn leven bent gekropen, maar nee, wat een concert van Springsteen tot een sacrale dienst maakt, is iets anders.

Anders dan U2 heeft Bruce amper nieuwe aanwas die de band voor het eerst live gaat zien. Anders dan Justin Timberlake komen er bij Bruce geen jonge meisjes wel eens live een nat broekje willen krijgen bij het aanschouwen van hun ster. Anders dan bij de Stones komen hier geen mensen voor de nostalgie.

Nee, bij een concert van The Boss komen mensen van wie je ziet dat ze er ook in 2002, ’92, in ’88, in ’85 en soms al in 1978 bij waren en dat van elkaar weten en voelen, omdat ze alle rituelen uit kun hoofd kennen die bij een Springsteen-concert horen. Zoals die man achter me die mijn armen tijdens Badlands optilt en me vermanend ‘handjes omhoog, hè’  toespreekt.

Bij een concert van The Boss opvallend veel mannen van in de veertig, vijftig, alleen, waarschijnlijk omdat niemand in hun familie of vriendenkring begrijpt wat ze toch in die Springsteen zien. Wij wel. Het is zoals Bono ooit over hem zei: They call him the Boss. But he’s not the boss. He works FOR us.

Ja, dit is een artiest zoals een artiest bedoeld is: mensen zich voor even intens verbonden met elkaar laten voelen, mensen voor even boven zichzelf laten uitstijgen. Uplifting, een mooier woord kan ik er niet voor bedenken. Bruce Springsteen, The E Street-band en hun publiek zijn het levende bewijs dat sommige songteksten over vriendschap en broederschap geen romantische tienerbeloftes, maar waarheid zijn en blijven, ook na dertig jaar. No retreat baby, no surrender.

Op  18 juni krijgt u nog een laatste kans,  in de Amsterdam Arena. En als u het dan nog niet begrijpt, dan blijft u maar dom.