Nieuws

Interviews, recensies en meer

Alleen maar nette mensen

Als je bekend bent, verandert er een hoop. Zo ben ik onlangs gestopt met mijn vrouw in het openbaar te slaan. Dat voelde niet goed meer. Voor je het weet wordt er over je gesmoest. Mensen begrijpen het verhaal erachter niet en kijken je afkeurend aan.

Vooral in het Luxereservaat, waar je voor de prijs van een bakje Filet Americain met piri-piri kruiden bij slagerij Van Dam in de Cornelis Schuytstraat, op nummer 106, om precies te zijn (zo, weer honderd euro verdiend – Evert, ik heb het liefst weer zwart, wel graag iets discreter dan vorige keer. Doe het maar in een envelop, ik neem ‘m wel mee als ik zaterdag een bakje krabsalade kom halen.) valt het op als je je vrouw af en toe een pak ransel geeft.

U zult erom lachen, maar in de buurt waar ik woon is men helemaal niet gewend dat je je vrouw in het openbaar slaat. Er wonen alleen maar nette mensen.

Wat dat betreft kan je, als je als man je vrouw af en toe en corrigerende tik geeft, beter in Bos en Lommer of in de Baarsjes wonen, daar knikken mensen bemoedigend bij dat soort acties. Sla wel met mate, want overal waar te voor staat, is slecht, zei mijn moeder altijd. Zij werd trouwens nooit geslagen door mijn vader en reageerde dat op mij en mijn zus af door ons ook nooit te slaan.

Ik heb er over gedacht mijn vrouw een sluier te laten dragen, dat ze niet herkenbaar is voor andere mensen en zich zodoende niet hoeft te schamen als ik haar onverhoopt toch een pets geef waar anderen bij zijn, want de schaamte is vaak het ergste, lees ik altijd in folders over slachtoffers van huiselijk geweld. Dus een gekke gedachte is het niet, een sluier of een beetje hippe burka. Zo lelijk zijn die dingen heus niet meer.

Maar mijn vrouw vond het geen oplossing. Met een sluier valt het juist des meer op, legde ze uit. Daar gaan mensen juist iets achter zoeken. Het wordt dan meteen zo’n statement, in een buurt waar het straatbeeld zo’n beetje is zoals Geert Wilders dat het liefst ziet. Heel af en toe zie je wel eens een hoofddoek hier, van een au pair of een werkster, en vorig jaar was er op het straatfestival nog een Braziliaanse band.

Daarom heb ik besloten mijn vrouw niet meer in het openbaar te slaan.

Het zijn de minder leuke kanten van het BN-er-schap.

 

 

Rare jongens, die recensenten

            Toen mijn roman Haantjes in 2011 uitkwam kreeg hij vier sterren van de recensent van de Volkskrant, Arjan Peters, ook wel De Kardinaal genoemd. De krant ruimde anderhalve pagina in om Haantjes te bejubelen, al op de voorpagina werd melding gemaakt van de lyrische recensie. Ik schrok ervan, een heuse grachtengordelrecensent die zijn goedkeuring gaf. Ik was zo trots als mijn jongste dochter, wier tekeningen ik steevast bewonder en daarbij vermijd om te benoemen wat ik zie – wat ik aanzie voor een hond kan evengoed een kerktoren of een van haar ouders zijn.

Drie dagen later werd Haantjes neergesabeld in De Telegraaf en Het Parool. (Van de laatste recensent is sindsdien niets meer vernomen. Mocht u aanwijzingen hebben die kunnen leiden tot zijn opsporing, wendt u zich dan tot de politie in uw woonplaats.)

Een aantal jaren geleden ben ik begonnen met het verzamelen van tegenstrijdige recencies. Romans van Ronald Giphart, Joost Zwagerman, Nelleke Noordervliet, Jan Cremer, noem maar op. Recensenten die elkaar volstrekt tegenspreken. Mijn psychiater zegt dat het een vrij onschuldige hobby is, ik hoef er volgens hem niet aan geholpen te worden. (Waarbij ik heb verzwegen dat ik weleens de gouden tip zou kunnen hebben inzake de verdwijning van die recensent van Het Parool.)

De laatste maanden heb ik van twee romans genoten. Ik was niet de enige: van beiden werden er in Nederland al meer dan honderdduizend van verkocht: De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween van de Zweedse schrijver Jonas Jonasson. Ge-wel-dig boek, wezenloos gelachen. Alleen de titel al. De roman werd bewierookt in een tv-magazine, op een website en in een regionale krant. De landelijke kranten vonden het drie keer niks.

Het andere is Dit zijn de namen van Tommy Wieringa. De Volkskrant gaf hem vijf sterren. ‘Monumentaal… Nederland is te klein voor Wieringa’. Trouw, Vrij Nederland en Het Parool kraakten de roman. Onlangs kreeg Dit zijn de namen de Libris Literatuurprijs 2013 toegekend.

In dezelfde week dat Tommy Wieringa werd gerecenseerd, verscheen Pier en oceaan, de nieuwe roman van Oek de Jong. Vijf sterren in Het Parool, genomineerd voor de Libris, afgemaakt in De Volkskrant.

Rare jongens, die recensenten.

Meneer Wolkers

We praten de zomer van 2003. Komt Een Vrouw Bij De Dokter was nog niet verschenen, maar door sommige journalisten die het manuscript hadden gelezen al ‘het Turks Fruit van de 21e eeuw’ genoemd/Dat was op zich ook niet zo gek (niet doorvertellen) want dat hadden mijn onvoorstelbaar erudiete uitgever Joost Nijsen en ik zelf verzonnen, in de najaarscatalogus van uitgeverij Podium vermeld en vervolgens tegen iedereen geroepen die het wilde horen. En tegen de rest ook.) ‘Het zou wel te gek zijn als we een quote van Jan Wolkers op de cover konden hebben, dat Hij dat ook vindt, hè, dat dit de nieuwe Turks Fruit is…’ dagdroomde Kluun tegen Joost Nijsen.

Een paar dagen later het bewijs dat God toch bestond: de Eminence Grise der Nederlandsche Kutlulpijpbefneuktietenliteratuur, Jan Wolkers Himself, bleek die zondag van zins af te dalen van Zijn woonoord Texel naar het Vondelpark in Amsterdam. De Man zou een lezing geven in het Openluchttheater aldaar. Kluuntje zag zijn kans schoon en toog die zondag vastberaden, de 320 bladzijden manuscript en de Podium-catalogus met de bewuste quote onder de arm, richting Openluchttheater. Naat ging mee, ter morele ondersteuning. Nou wordt een mens in Amsterdam Zuid aardig blasé van alle BN-ers die er rond lopen, maar er zijn uitzonderingen die een jongenshart sneller doen kloppen. Johan Cruyff en Jan Wolkers behoren tot die buitencategorie.

De lezing was afgelopen en Kluun draalde wat in de buurt van het Podium. ‘Moet je er niet heen?’ vroeg Naat. ‘Eh… ja, zo meteen. Hij is bezig.’ ‘Ga nou.’ Kluun haalde diep adem en sloot aan in het rijtje mensen dat zich verzameld had bij de zijkant van het podium, waar Hij audiëntie hield, gezeten op een stoel, een meter verheven boven ons, de meute. Nog twee handtekeningenslijmers voor me en dan was ik aan de beurt. Nog ééntje. Zou ik weggaan? Ik keek opzij en zag Naat naar me kijken. Vluchten kon niet meer. De laatste vrouw voor me ging met rode koontjes en een Handtekening weg en toen stond ik tegenover Hem.

Ik stak mijn hand uit. ‘Dag,’ zei Hij, met zijn karakteristieke hese stem. Als ik geen lul had zou ik er bloedgeil van worden. ‘Dag Meneer Wolkers, ik wil u iets vragen.’ ‘Ja?’ ‘Mijn debuutroman komt dit najaar uit en daarvan wordt door sommige mensen gezegd dat het de Turks fruit van nu is.’ ‘Oh?’ ‘Mag ik u vragen om het manuscript eens te lezen en er uw mening over te-…’. Hij schudde al nee. ‘Nee, daar begin ik niet aan,’ onderbrak de hese stem mijn verzoek. ‘Ik lees nooit manuscripten van anderen, want dan moet ik er ook weer iets van gaan vinden en dat levert alleen maar ellende op.’ De Man klonk te vastberaden om een rebound te proberen. ‘En jij moet ook niet de mening vragen van collega’s,’ ging Hij verder. ‘Daar heb je niks an. Wat collega’s van je werk vinden is niet interessant, het gaat erom wat jij en je lezers ervan vinden.’ Kluuntje knikte gedwee. ‘Nooit meer doen.’ Knik. En toen kreeg ik een Hand. Met rood hoofd zwoof ik terug naar Naat. ‘En?’ vroeg Naat. ‘Hij zei Collega tegen me,’ lispelde Kluun gelukzalig.

No surrender

Noem me een watje, maar als ik twee mannen samen in één microfoon zie zingen dat ze elkander ooit zwoeren dat ze bloedbroeders waren, dat ze beloofden dat ze dat nooit zouden vergeten, elkaar niet zouden verraden, nooit zouden overgeven, als ik dat Little Steven en Bruce hoor zingen en met eigen ogen zie dat er van deze onbezonnen, naïeve jongensbeloftes een half mensenleven later geen woord gelogen blijkt te zijn, dan krijg ik kippenvel.

En ach, al kan de bijna zeventigjarige Clarence Clemonce eigenlijk al jaren geen saxofoonsolo’s meer spelen van meer dan drie noten: bloedbroeders zet je niet uit de band, al moeten ze hem bij de volgende tournee in een rolstoel het podium opduwen. No retreat baby, no surrender.

Wat maakt concerten van Bruce Springsteen nu tot gebeurtenissen die een mens tot in het diepst van zijn ziel kunnen raken? Natuurlijk, een concert van Springsteen duurt bijna langer dan het hele leven van Kurt Cobain, maar dat is het niet. Natuurlijk, de meeste nummers zijn nog imponerender dan op de plaat, maar dat hebben meer artiesten. Natuurlijk, zijn teksten geven je het gevoel dat je in zijn leven bent gekropen, maar nee, wat een concert van Springsteen tot een sacrale dienst maakt, is iets anders.

Anders dan U2 heeft Bruce amper nieuwe aanwas die de band voor het eerst live gaat zien. Anders dan Justin Timberlake komen er bij Bruce geen jonge meisjes wel eens live een nat broekje willen krijgen bij het aanschouwen van hun ster. Anders dan bij de Stones komen hier geen mensen voor de nostalgie.

Nee, bij een concert van The Boss komen mensen van wie je ziet dat ze er ook in 2002, ’92, in ’88, in ’85 en soms al in 1978 bij waren en dat van elkaar weten en voelen, omdat ze alle rituelen uit kun hoofd kennen die bij een Springsteen-concert horen. Zoals die man achter me die mijn armen tijdens Badlands optilt en me vermanend ‘handjes omhoog, hè’  toespreekt.

Bij een concert van The Boss opvallend veel mannen van in de veertig, vijftig, alleen, waarschijnlijk omdat niemand in hun familie of vriendenkring begrijpt wat ze toch in die Springsteen zien. Wij wel. Het is zoals Bono ooit over hem zei: They call him the Boss. But he’s not the boss. He works FOR us.

Ja, dit is een artiest zoals een artiest bedoeld is: mensen zich voor even intens verbonden met elkaar laten voelen, mensen voor even boven zichzelf laten uitstijgen. Uplifting, een mooier woord kan ik er niet voor bedenken. Bruce Springsteen, The E Street-band en hun publiek zijn het levende bewijs dat sommige songteksten over vriendschap en broederschap geen romantische tienerbeloftes, maar waarheid zijn en blijven, ook na dertig jaar. No retreat baby, no surrender.

Op  18 juni krijgt u nog een laatste kans,  in de Amsterdam Arena. En als u het dan nog niet begrijpt, dan blijft u maar dom.

Zeehondentocht

Ik was op Terschelling. Dat was een idee van mijn vrouw. Mijn vrouw houdt van natuur en van rust en dat is nog tot daar aan toe, maar ze blijft maar beweren dat ik er ook wel bij vaar. ‘En voor de kinderen is het ook goed, dat die af en toe eens de stad uitkomen.’ ‘Welja, haal de kinderen er maar weer bij,’ mopperde ik.

Nou heeft ze wel een punt. Die van mij denken nog steeds dat de wereld plat is en dat je eraf valt zodra je buiten de ring van Amsterdam komt. Ooit ondernamen we de tocht naar vrienden die een huis hebben in Schellingwoude. Schellingwoude klinkt Fries, maar dat is woordbedrog. Het is gewoon Amsterdam Noord, maar gevoelstemperatuur toch dorp, de wijk is omgeven door weiland.

Onderweg passeerden we er eentje, zo’n weiland. Dat soort dingen gebeuren, zodra je de bebouwde kom verlaat, maar voor mijn kinderen, wiens habitat zich uitstrekt tot een straal van een kilometer of drie rond het veilige luxereservaat Amsterdam Oud Zuid, is een weiland een hele gebeurtenis.

‘Wat zijn dát voor beesten?’ sprak mijn jongste dochter van bijna drie, wijzend naar het weiland.

‘Dat zijn schapen,’ sprak mijn oudste van twaalf, die op de middelbareschool heeft geleerd wat schapen zijn. Dat onderwijs van tegenwoordig is helemaal zo slecht nog niet.

‘Hahaha, wat een gekke schapen,’ lachte mijn jongste.

Nee, Terschelling helemaal niet zo’n geen gek idee. Het sterft daar van de beesten, ze moeten ze zelfs afschieten, heb ik me laten vertellen. Je kinderen moeten toch een keer leren dat dieren er anders uitzien als in de boekjes van Dick Bruna. Dat een konijn geen kruisje als mond heeft, niet kan praten en al helemaal geen vliegtuig kan besturen.

We hadden amper voet aan wal op Terschelling gezet, of ik zag een bord bij het VVV-kantoor. Zeehondentochten.

‘Wist jij dat zeehonden tochten?’ vroeg ik mijn oudste dochter.

‘Haha,’ zuchte die. Altijd lachen met papa.

‘Zonder dollen,’ zei ik tegen mijn vrouw, ‘dat is precies wat we nodig hebben.’

Mijn vrouw twijfelde. ‘Moet je zeehonden niet met rust laten?’

Ik haalde mijn schouders op ‘Ik begrijp ook niet dat de Dierenbescherming dat allemaal maar goed vindt, maar het zijn mijn zeehonden niet, en misschien vinden die beesten het ook wel gewoon hartstikke leuk, dus vort met de zeehond, erop af, voor ze op zijn.’

Of de prijs wel inclusief foto’s was, vroeg ik meteen bij binnenkomst. Meteen even laten merken dat er niet met je te spotten valt. Ik ken dat, kom je van de grote stad, willen ze meteen aan je verdienen als je niet uitkijkt. Leer mij die eilanders kennen.

‘Natuurlijk, u mag zoveel foto’s maken als u wilt,’ lachte de VVV-mevrouw.

‘Dat moeten we zelf doen?’ vroeg ik verbaasd. ‘Maar dan staan wíj er toch niet op?’

De mevrouw keek me niet begrijpend aan.

‘Laat maar. Heeft u wel een witte voor mijn kinderen?’

Nurkse mensen, die Terschellingers. Stug blijven doen of ze me niet begreep, ook niet toen ik tot drie keer toe uitlegde dat mijn jongste dochter gewoon liever een witte zeehond heeft, zo zijn kinderen. Dat ze niet in het roze geleverd worden, okay, maar een witte, dat was toch niet teveel gevraagd? Ik had er zelf wel eens gezien, op foto’s van Canada. Goed, dan zat er wel wat bloed op, maar ze bestonden, dat wist ik zeker, al kwam ik uit de stad.

Geen sjoege. En dan zijn de rapen gaar. Kinderen janken. Je hebt ze tenslotte toch wat beloofd.

Uiteindelijk heb ik er zelf maar een paar gevangen, toen het eb was. Op mijn bureau staat nu een foto van het hele gezin. Mijn dochters op hun witte, mijn vrouw en ik samen op een grote bruine zeehond. We kijken wel wat angstig, valt me op. Maar ik kan het iedereen aanraden. Je voelt je de koning als je, bij ondergaande zon, op zo’n beest over de boulevard rijdt. Daar kan geen schaap tegenop.