Nieuws

Interviews, recensies en meer

Amsterdammer van het jaar

Zondag wordt de Amsterdammer van het jaar gekozen. De meeste jaren bestaan de winnaars uit Amsterdammers die katten uit grachten redden, bejaarden afstoffen, ambulances door oorlogsgebieden heenloodsen of  met eigen handen een speelhonk voor criminele jongeren in elkaar flansen.

Maar ik pleit voor een andere Amsterdammer van het Jaar.
Maya Meijer Bergmans, de vrouw die ervoor zorgde dat een ‘industrieel kerkhof vol roest en vervuilde grond’ (quote PArool, Hans van der Beek) veranderde in een ‘traktatie voor de stad.’
Maya Meijer Bergmans is eigenaar van het Westergasterrein. Zonder haar hadden we geen Westergasfabriek, Ketelhuis, Westerunie, openluchtfestival, Milkshake. Zij is mijn Amsterdammer van het Jaar.

Hier kun je stemmen op Maya Meijer Bergmans, of – als je het dan toch beter weet – op iemand anders: http://actie.parool.nl/avhj-stemmen/?utm_source=parool&utm_medium=URL&utm_content=shortcut&utm_campaign=avhj

De kleine burgemeester

Met dank aan Het Grote Herken en Benoem de Watervogelboek gisteren weer een nieuwe badgast gespot. De Kleine Burgemeester  overwintert dit jaar gewoon voor mijn deur, in de Amstel, alsof het allemaal niets is. Coole eend, hoor, die Kleine Burgemeester (niet te verwarren met de Grote Burgemeester, die – om maar een verschil te noemen – groter is).

131216 kleine burgemeester

Voor meer coole eenden leze men dit verhaal uit Klunen2:

Coole eend

Ik woon sinds kort op de Amstel. Op een boot. Nou ja, boot, bootbezitters lachen me uit als ik zeg dat het een boot is: het is een betonnen bak met daarop een huis. Een woonark. Een woonark drijft, en eigenlijk is dat de enige overeenkomst met een boot. Een plastic fles drijft ook, een meerkoet drijft en zo zijn er nog wel meer voorwerpen die drijven en toch geen boot zijn. Mijn woonark is dus ook geen boot.

Soit. Sinds ik op mijn woonark woon, sta ik een stuk dichter bij de natuur. Overal waar ik kijk is water en weet je wat het grappige van water is? Er leven dieren in. De meeste van die dieren zie je niet, omdat ze onder water verblijven. Die dieren heten vissen. Vissen zwemmen onder water en dat kunnen ze ongelofelijk lang volhouden. Sterker: zodra ze boven water komen, raken ze in paniek, beginnen te hyperventileren en te spartelen als een malle en daarna gaan ze dood. Totaal anders dan mensen, want die moet je juist niet te lang onder water houden. Ander verschil is dat je de meeste vissen na hun dood in een pan kunt stoppen om ze op te eten, maar bij mensen die te lang onder water hebben gelegen, is dat geen aanrader.

De dieren die je wel met het blote oog kunt zien vanaf mijn woonark zijn vogels. Watervogels, om precies te zijn. Enkele watervogels die u waarschijnlijk zelf wel kent zijn de eend, de meeuw en de zwaan.

Toen ik jarig was kreeg ik van mijn dochters Het Grote Herken en Benoem de Watervogel-boek. Daar vind je me toch een aantal vreemde badgasten in! En enkelen daarvan wonen dus gewoon in onze stad. Zo herken ik sinds kort de Nijlgans. Het beest is geen familie van het Nijlpaard, zoals het zeepaard geen familie van het gewone paard is, maar beiden komen wel oorspronkelijk uit Egypte (de Nijl is een rivier in Egypte). Het Nijlpaard loopt voor zover ik weet niet vrij rond in Nederland, maar de nijlgans reist om onverklaarbare redenen wel zo nu en dan af naar België en Nederland. Ze zien eruit als slecht geverfde ganzen. En schijten, die beesten, schijten! Als een zeemeeuw. Al is die wel koning, wat betreft schijten. Vraag me niet hoe hij het voor elkaar krijgt, maar een meeuw kan op ramen schijten. Ik vermoed dat hij in volle vlucht op een raam afvliegt, dan de poep zijn endeldarm uitperst en net op het moment dat de witgrijze klodders zijn lijf verlaten een scherpe bocht neemt, waardoor de poep in de vluchtlijn richting mijn ramen vliegt, terwijl het beest zelf vlak voor hij zich te pletter zou vliegen een scherpe bocht neemt en vrolijk terug de Amstel opvliegt. Waarom, vraag je je dan af, waarom?

Een andere watervriend is de meerkoet. Meerkoeten zijn zorgzame types. Het mannetje bouwt van takjes en plastic flessen een nest (het is maar goed dat mensen die dingen in de gracht gooien, anders zou er grote woningnood onder meerkoeten bestaan). Het vrouwtje gaat vervolgens op het nest zitten en perst er een eitje of vijf, zes uit en gaat daarop zitten broeden. Best huiselijk, om dat te aanschouwen. Niet het persen, maar het broeden natuurlijk.

Van de zes minimeerkoetjes uit het nest op het terras van mijn boot waren er koud drie dagen later nog maar twee over. Een dag erna nul. Wat blijkt: snoeken eten meerkoeten, en net als wij, mensen, zien meerkoeten vissen niet aankomen. En dan gaat het hard met de kleine meerkoetjes. Meerkoet is dan ook rare naam, minderkoet of geenkoet zou veel logischer zijn. Ik heb de redactie van Het Grote Herken en Benoem de Watervogel-boek er al een brief over geschreven.

Dat de babykoetjes zo snel overleden was niet alleen vervelend voor de meerkoet, die wekenlang voor de koet zijn kut had zitten broeden, maar vooral ook voor mijn kinderen, die de babymeerkoeten toch als snel als hun kinderen beschouwden.

Mijn jongste dochter is nog niet zo vertrouwd met Het Grote Herken en Benoem de Watervogel-boek. Vorige week wees ze naar het drijvende terras dat aan mijn woonark is vastgeklonken. ‘Pap, kijk eens wat een coole eend!’

Ik keek naar het dier. Het was geen eend, maar een reiger.

Nu probeer ik mijn dochter zoveel mogelijk in haar eigen fantasie en jargon te laten. Ineens zag ik de reiger door de ogen van een kind, maar ook door de ogen van een eend. Dat je als eend met die lullige pootjes met een slakkegang door de Amstel vaart en dan ineens boven je een reiger majestueus ziet vliegen en landen op mijn terras ziet. Dan kan je als eend toch maar één, jaloerse, conclusie trekken.

‘Holy fuck, wat een coole eend.’

 

Rechter: foto betalen, boete niet.

De rechter oordeelde vandaag dat een schadevergoeding van 1.760 euro, geclaimd door fotograaf Dhr. Koppe vanwege het gebruik van twee van zijn foto’s niet terecht is. Kluun moet wél een bedrag van twee maal 240 euro betalen voor het gebruik van de twee foto’s .

Even resumeren. Ik gebruikte in 2006 en 2007 twee foto’s, waarbij ik ervan uitging dat het in dit geval om citaatrecht ging. De rechter oordeelde vandaag dat dit onterecht was. Ik moet Dhr. Koppe alsnog betalen voor het gebruik van de foto’s, per stuk 240 euro.
Natuurlijk vind ik het jammer dat mijn beroep op het citaatrecht is afgewezen, maar ik heb daar vrede mee. Of bij gebruik van een foto sprake is van citaatrecht zal in de toekomst blijkbaar per foto moeten worden bekeken.

Waar ik principiële problemen mee had, is de eenzijdige boete die de advocaat van Dhr. Koppe, Mw. Mr. K. van Boven, mij oplegde: een schadevergoeding van 100%, vermeerderd met de door zijn advocaat geclaimde ‘buitenrechtelijke’ kosten van 800 euro. In totaal 1.760 euro.
De rechter stelde mij in deze volledig in het gelijk.

De rechter heeft duidelijk geoordeeld dat fotografen niet zo maar even zelf kunnen beoordelen of ze je een boete opleggen.
De rechter bepaalde verder (art. 4.9 en 4.10 van het vonnis) dat geen van de partijen de proceskosten van de rechtbank hoeft te betalen, omdat – zoals hij het letterlijk stelt – ‘beide partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.’
Daarnaast oordeelde de rechter dat ‘voor een vergoeding van de buitenrechtelijke kosten de kantonrechter geen aanleiding (ziet), nu Kluun (…) reeds in een vroeg stadium verklaard heeft bereid te zijn een bedrag van 480 euro in de minne te voldoen.’

Ik ben tevreden.
Ik feliciteer Koppe en zijn advocate met hun gelijk aangaande mijn inbreuk op hun auteursrecht.
Ik hoop dat zij mij feliciteren met mijn gelijk aangaande hun onterecht opgelegde, eenzijdige boete/schadevergoeding.
En ik betreur het voor Dhr. Koppe dat zijn advocate Mr. Mw. K. Van Boven weigerde om, zoals mijn advocaat Hans Bousie in deze principiele zaak wel deed, zijn zaak pro deo te behandelen.
Had dhr. Koppe mijn schikkingsvoorstel in maart van dit jaar geaccepteerd, dan had hij 480 euro ontvangen. Die 480 euro ontvangt hij per omgaande alsnog van mij.
Helaas kan hij binnenkort ook een rekening van 800 euro van zijn advocate Mr. Mw. K. van Boven tegemoet zien.

,

Tante Pruikje

           Onze Lieve Heer heeft vreemde kostgangers en een groot deel van hen lijkt hij in mijn familie  te hebben ondergebracht. Ook mijn tante Pruikje was geen alledaags exemplaar. Een volstrekt logische naam, want zolang ik haar kende, droeg ze een pruik. Een oldskool pruik, die meer leek op een helm dan op een haarstukje. Vaak zat-ie scheef, zakte hij over haar ogen, of viel hij op de gekste momenten van haar hoofd.

Mijn zus en ik vonden tante Pruikje eng. Als we met ons pa en ons ma in de Mitsubishi Colt bij haar op visite gingen, kon het zomaar gebeuren dat tante pruikloos de deur opende. Je wist dan dat je die middag de pruik ergens zomaar kon tegenkomen. Je zag hem bijvoorbeeld aan de punt van de trapleuning hangen. Het kon ook zijn dat hij als een slapende hamster op je lag te wachten in het kastje waar ook de pepermunt en de kokosmakronen werden bewaard. Of hij bevond zich ineens bij mijn vader op zijn hoofd, als tante Pruikje even thee aan het zetten was in de keuken.

Tante Pruikje was, behalve pruikdragend, buitengewoon bemoeizuchtig. ‘Kom ’s efkes bè men zitte, dè’k oe ’s ötheur’[1] is inmiddels een regelrechte klassieker in onze familie.

Toen ik al wat ouder was – ik had mijn rijbewijs net een paar maanden – ging ik met tante Pruikje op ziekenbezoek bij Martin, een neef van ons. Hij lag in het oude St. Elisabeth Ziekenhuis in Tilburg. Martin was van de bovenste trede van de trap gevallen en lag nu met de meerderheid van zijn ledematen in het gips. Tante had direct bij binnenkomst een prangende vraag: ‘Martje, hoe kunde gè naaw zo stom zèèn om van de trap te vallen?’[2]            Bij het aanzicht van mijn in dat witte harnas verpakte neef besloot ik met voetballen voortaan sneller mijn been terug te trekken. Sporten die me te link waren, zou ik gaan vermijden. Skateboarden, wakeboarden, parasailen, bungeejumpen, parachutespringen: over mijn lijk. Neem parachutespringen: per jaar vallen er honderdvijftig mensen te pletter omdat hun parachute niet, te laat of maar half opengaat. Of omdat ze gewoon vergeten zijn het geval om te doen. Honderdvijftig dodelijke ongelukken per jaar; dat komt neer op één op de tachtigduizend parachutesprongen. Dan kun je zeggen: dat is te verwaarlozen, de kans dat je op de fiets zit en door een auto wordt geschept of net als Martje van de trap valt, is veel groter, maar dat is een denkfout. Heel Nederland doet mee met de Eindejaarsloterij, terwijl de kans dat je de hoofdprijs wint één op honderd miljoen is.

Nu heb ik jarenlang meegedaan met de Staatsloterij en nooit de hoofdprijs gewonnen, dus je zult zien dat ik dan die ene ben bij wie die parachute niet zou opengaan. En dan duurt zo’n val lang, hoor. Dat je onderweg denkt: het is ook altijd hetzelfde met mij, had ik het nou maar niet gedaan. Of: ik leer het ook nooit. Die laatste kans, dat je het inderdaad nooit meer zult leren, is op dat moment tegen de honderd procent. En stel dat je het overleeft. Daar moet je ook niet aan denken Kan je, van top tot teen in het gips gestoken, tante Pruikje vanuit je ziekenhuisbed uitleggen hoe je zo stom kon zijn om uit een vliegtuig te springen.

Motorrijden is overigens net zo link als parachutespringen. Volgens tante Pruikje bestaan er twee soorten motorrijders: ‘Ze zèn ammaol wel us unne keer gevalle, en die nog nooit zèn gevalle, die vallen heus nog wel unnen keer.’

Toen ik met haar terugreed van ons bezoek aan Martje in het ziekenhuis, werden we op de Ringbaan-West aangehouden door een motoragent. Tante Pruikje zat achterin en ze had haar gordel niet om. Of ze wel wist hoe gevaarlijk dat was.

Ze keek de motoragent aan en sprak de historische woorden: ‘Nee, en gij dan? Hedde oezelf wel ’s bekeke om diejen brommer van oew?’[3]


[1] ‘kom eens even bij me zitten, zodat ik je kan uithoren’

[2] ‘Martin, hoe kun jij nu zo stom zijn om van de trap te vallen?’

 

[3] ‘Nee, en u dan? Heeft u uzelf weleens bekeken op die motorfiets van u?’

 

DJ

131122 catalogus podium cover dj

Deze week is de catalogus van uitgeverij Podium verschenen.  DJ, de roman waar ik nu aan werk, komt pas tegen de zomer uit, maar hier alvast de proloog van DJ. Als opwarmertje.

Een schrijver heeft grondstoffen nodig voor zijn verhalen. Hij heeft er drie tot zijn beschikking: zijn fantasie, de dingen die hij meemaakt en de mensen die hij ontmoet. Uit deze grondstoffen moet hij zonder enige beperking kunnen putten. Vooral uit de laatste. Echtgenote, kind, vriend, serveerster, buurman, taxichauffeur, leraar, uitgever of minnares: in de nabijheid van een schrijver is niemand veilig en zo hoort het ook. Een schrijver die zichzelf censureert, had geen schrijver moeten worden. Piëteit, loyaliteit, terughoudendheid, discretie, mededogen: allemaal prachtige deugden, maar een schrijver dient er zijn reet mee af te vegen.

Zoals iedereen weet, heb ik altijd ruimschoots geput uit mijn verleden. Komt een vrouw bij de dokter, De weduwnaar, Help, ik heb mijn vrouw zwanger gemaakt!, Haantjes: stuk voor stuk verhalen die ik zelf heb beleefd, gezien, gevoeld. Klunen en Klunen2 bevatten tientallen columns waarin mijn kinderen, mijn familie, mijn liefdes en mijn vrienden voorkomen.

Thorwald van Gestel logeerde van 15 tot 19 september 2013 in mijn appartement in de Gerard Doustraat in Amsterdam. Hij kwam op eigen verzoek en alles wat hij heeft verteld, deed hij uit vrije wil. Als hij ’s nachts in mijn logeerbed sliep, kroop ik achter mijn laptop om alles wat hij me in de uren daarvoor toevertrouwd had tot een verhaal te smeden. Heb ik hem iedere letter die ik schreef laten lezen? Nee. Heb ik hem verteld wat ik van plan was te schrijven? Nee. Heb ik hem laten weten dat ik zijn verhaal weleens zou kunnen gaan gebruiken? Nee.

Thorwald van Gestel is een internationaal bekende dj, ik ben een schrijver. Hij had een verhaal, ik schrijf verhalen. Als je op de A2 zit en voor je rijdt een politieauto, ga je dan vragen of hij wel in functie is, voordat je hem met 140 per uur passeert?

Toen ik Komt een vrouw bij de dokter had geschreven, heb ik het het boek vóór het in de winkel kwam te liggen, laten lezen aan mijn beste vrienden, mijn ouders en de familie van mijn vrouw. Zodat ze wisten wat er in stond. Maar níet met de bedoeling dat ze ook maar iets mochten wijzigen.

Geen enkele zichzelf respecterende schrijver laat zijn verhaal tijdens het schrijfproces lezen aan anderen met de mogelijkheid om het te bij te sturen. In mijn geval: alleen mijn redacteur en mijn vriendin mogen tussendoor iets lezen.

Toen DJ eenmaal af was, heb ik Thorwald van Gestel het manuscript uiteraard laten lezen.

Zijn management blijkt niet gelukkig met het resultaat en heeft gedreigd juridische stappen te ondernemen om verschijning van deze roman te voorkomen.

Mijn uitgever Joost Nijsen en ik hebben echter geen moment getwijfeld of we dit boek moesten terugtrekken. We zouden geen knip voor ons neus waard zijn.

 

Amsterdam, november 2013

Kluun

Interview Parool

Raymond van de Klundert (1964) schreef onder zijn bijnaam Kluun een van de bestverkochte boeken in Nederland ooit, Komt een vrouw bij de dokter. Deze week verschijnt Klunen 2, een verzameling korte verhalen en columns. Lees meer…

Coverinterview Revu

131030 revu kluun hoed amstel

Deze week interviewt Tom Kellerhuis in Nieuwe Revu Kluun. De foto’s zijn van Corne van der Stelt.

Een fragment:

Je hebt zelfs contact gezocht via medium Char met je overleden vrouw.

“Nee man, dat was een geintje met Giel Beelen. Het staat inderdaad op wikipedia, maar ik moet het ten zeerste ontkrachten. Ik heb nog nooit iets van Judith gehoord, of van mijn vader die vorig jaar is overleden. Ben je gek. Maar ik sluit niet dat er na de dood toch een soort energie blijft bestaan.”

Je bent katholiek van huis uit.

“Maar dat mag geen naam hebben. Ik werd misdienaar louter om het misdienaarsreisje.”

Je bent op je veertiende gestopt met bidden, schrijf je. Is er nog iets van spiritualiteit blijven hangen?

“Zeker wel. Maar het zijn fases. Toen mijn vrouw ziek werd, en pas overleden was bijvoorbeeld. Met geloven is ook niet zoveel mis. Gelovigen zoals Leo Blokhuis en Arie Boomsma vind ik vaak aardiger dan die zure atheïstische columnisten van NRC Handelsblad of de Volkskrant, die als Jihadstrijders willen bewijzen dat er geen god is.”

Jij bent dus niet helemaal van god los.

“Maar ik zou ook niet weten wie god is. Dawkings heeft een mooie schaal gemaakt van één tot zeven. Eén is: ik weet zeker dat god bestaat, zeven wil zeggen: ik weet zeker van niet. Ik zit tussen drie en vier: ik weet het niet, maar ik sluit zeker niet uit dat er wel wat is. Zo zit ik in de wedstrijd.”

 

 

Klunen 2

Vandaag verschijnt Klunen2. Een van de korte verhalen in het boek is Memoires van een marketingsoldaat. Stijn van Diepen, u welbekend uit KEVBDD, De Weduwnaar en Haantjes, blikt in 2034 terug op zijn carriere, vanuit zijn villa op de Kaaiman-eilanden.

Lees meer…

Rectificatie

In de NRC-rubriek Doen Beleven Lezen van afgelopen keer staan enkele fouten. Zo staan Tonio van A.F.Th van der Heijden en Het Diner van Herman Koch ten onrechte in de opsomming ‘romans in jongensboekverpakking’. En daarnaast is Bonita Avenue bepaald geen jongensboek dat het ‘goed doet bij jongere lezers.’ NRC heeft deze foutieve interpretatie inmiddels ook gerectificeerd.

nrc

Beste Marc

De fluwelen revolutie is voltooid. Tijd voor een analyse. Hoe staan we d’r voor met z’n allen?

Lees meer…

Geen schone sport

Als dertiger liep ik drie keer per week ’s ochtends een rondje Vondelpark, squaste ik op maandagavond, op donderdagavond tenniste ik en dan voetbalde ik ook nog fanatiek: twee keer in de week trainen bij op zaterdag competitie bij Buitenveldert 2.

Lees meer…