Nieuws

Interviews, recensies en meer

Roe, zak, Zwarte Piet

‘It is black Pete, I cannot change that.’
‘Yes, you can.’

Het jachtseizoen is dit jaar vroeg geopend. Het is nog geen april en er wordt al op Zwarte Piet geschoten. Onze minister president hield afgelopen weekend de schietschijf omhoog, Paul de Leeuw schoot de eerste kogel de media in bij DWDD. De Leeuw, net alAs ik vader van tenminste één kind dat nog in de goedgelovige fase zit, had Twelve years a slave gezien en stuurde alle leden van de Tweede Kamer een exemplaar van Twelve years a slave, met een brief erbij. Het is pas maart, zei hij, maar nú kunnen we er met alle beslissers (burgemeester Van der Laan, de Sint zelf natuurlijk, Dieuwertje Blok) nog wat aan doen.
Paul de Leeuw heeft gelijk. Enkele jaren geleden schreef ik nog dat ik het onzin vond, al dat gelul over discriminatie. ‘Ik zie om me heen op het Leidseplein tientallen Surinaamse kinderen net zo hard en blij roepen naar Zwarte Piet als onze drie bleekscheetkinderen.’
Robert Vuijsje bracht me vorig jaar met zijn opiniestukken van aan het twijfelen. Hij had nu pas gehoord dat Surinaamse leeftijdgenoten van hem zich vroeger op de lagere school altijd zeer ongemakkelijk hadden gevoeld als Sinterklaas de klas binnenkwam, met in zijn kielzog een paar zwart gekleurde knechten die zich aanmerkelijk dommer en gekker voordeden dan de Sinter zelfs. David Sedaris maakte me aan het lachen, maar vooral fronsen met zijn verhaal waarin hij zijn verbijstering beschrijft over Sinterklaas, die steevast door ‘zes tot acht zwarte helpers’ werd begeleid.
Iemand stelde vorig jaar de vraag: stel dat je bezoek hebt van een zwarte vriend, zou je dan samen zonder enige gêne naar een Sinterklaas-optocht gaan kijken? Nee. Ik vrees van niet.
Het buitenland bepaalt niet aan wat voor tradities een land wel en niet mag vasthouden. Dat bepalen we zelf. Zelfs als het rottradities zijn, het zijn wel ónze tradities.
Wij bepalen niet of ze in Spanje wel of niet moeten stoppen met stierenvechten.
Wij bepalen niet of het normaal is dat een Italiaanse premier bunga bunga-feesten houdt.
Wij bepalen niet of het normaal is dat ze in Frankrijk vrolijk foie gras blijven dooreten.
En zij bepalen niet of wij wel of niet Zwarte Pieten hebben, ter vermaak van onze kinderen.
Maar het buitenland is wel een spiegel.
Zie de uitglijer van Rutte over zijn Antilliaanse vrienden die hun gezicht niet hoeven te wassen en hij wel, na een potje Zwarte Piet-spelen. Ik zal niet de enige zijn geweest die de beelden amper durfde uit te kijken vanwege plaatsvervangende schaamte. Zou Obama het meegekregen hebben? Of heeft hij zijn mond maar gehouden, omdat het anders niet ‘gezellig’ bleef? In beide gevallen was de opmerking van Rutte tenenkrommend.
Op alle tradities zit een uiterste houdbaarheidsdatum. Slavernij was ook een van onze tradities.
Al in de late jaren zestig (ik was vijf) vertelde mijn moeder mij dat dat van die roe en die zak helemaal niet waar was. Sint nam geen kinderen mee naar Spanje en Zwarte Piet sloeg ook niet met een roe, wat de teksten van de liedjes je als kind ook wilden doen geloven.
Na de roe en de zak is het tijd om schoon schip te maken met Zwarte Piet. Ook al is hij zwart als roet, hij meent het toch goed. Lul dat maar eens recht. Laat ons met zijn allen beseffen dat het in een multiculturele maatschappij geen pas meer geeft om blanke mannen zich zwart te laten verven en ze dan als paljassen rond te laten hopsen, met een gebrekkig accent Nederlands te laten praten en gezellige domme dingen te laten doen, zoals  vergeten de kadootjes mee te nemen uit Spanje, het zoekmaken van het Boek van Sinterklaas, het achterlaten van Americo of het kwijtraken van een hele stoomboot.
Laten we dit jaar beginnen om iets te doorbreken.
Ze hoeven niet allemaal ineens te verdwijnen, die Zwarte Pieten. Als we nu beginnen met de Zwarte Pieten mondjesmaat te mixen met witte, groene of deels zwartgeverfde collega’s. En volgend jaar weer wat meer. Een afvloeiingsregeling volgens het poldermodel. Tegen hun derde beginnen kinderen pas iets van het feest te begrijpen  en tegen hun achtste horen ze dat een sprookje is.  Als we het spreiden over drie jaar is het voor de peuters van 2017 de abnormaalste zaak van de wereld dat Sints knechten ooit vanzelfsprekend zwart waren.
Laten we in Amsterdam het voortouw nemen om  een achterhaalde, door velen in en buiten ons land als racistisch ervaren traditie af te bouwen.
Willen we meer of minder Zwarte Pieten in Amsterdam?
Dan gaan we dat regelen. Nu kan het nog.

————————————————–

Dit betoog staat vandaag in Het Parool

Grow up

Jahaa, de A4 en A44 zijn afgesloten, Den Haag is een vesting en het Museumplein is afgesloten. Phew. Tjee. Dan staan we even een uur langer in de file morgen. En kunnen we morgenochtend Het Melkmeisje even niet live zien, wat we al weken hadden gepland.
Of hebben we liever dat we de komende 30 jaar op elke buitenlandse trip kunnen uitleggen hoe het kon dat Obama een taart, waxinelichtje of erger tegen zijn hoofd kreeg?
Misschien heel kinderachtig, maar ik vind het wel cool dat ons land betrouwbaar genoeg bevonden wordt om 53 wereldleiders te ontvangen , dat Obama de Nachtwacht komt bekijken en Abe het Anne Frankhuis. Met straks miljoenen andere toeristen in hun kielzog.
Stop met zeiken, Holland en grow up.

Literaire Lente

Boekhandel Scheltema Amsterdam weer open onder eigen naam, Van Piere Eindhoven was al open, Donner Rotterdam vecht, Boekhandel Heinen Den Bosch vecht, Gianotten Tilburg wordt voortgezet door fam. Mutsaers, Broese Utrecht gaat de strijd aan met de gemeente Utrecht voor een meerjarig huurcontract.
En vandaag het nieuws dat de mooiste boekwinkel ter wereld, Boekhandel Dominicanen moet blijven ook gered lijkt.

Dapper voorwaarts met de Literaire Lente.

Het gevang

Gedroomd dat ik naar de gevangenis moest. Had enkele miljoenen verduisterd en nu had het net zich om me gesloten. Handboeien om, vriendin en kinderen jaren niet meer zien, bang voor mannenknuffels, op lip bijten voor camera’s. Ik kon wel janken.
Alles levensecht.
Wat een feest vanochtend om wakker te worden.
Straks even mijn psycholoog bellen voor duiding. En vandaag toch maar even minder de sportkrant lezen.

 

Boekenquiz (1976)

Kluun kwam, zweeg en overwon, schreef Joost Zwagerman de dag na de NTR Boekenquiz op Facebook en hij had nog gelijk ook. Ik zat in het winnende team, bij Christophe Vekeman. Vekeman woont in Gent en als we samen ten noorden van de lijn Amsterdam-Nijmegen moeten optreden, logeert hij wel eens bij me. Elke keer als ik hem kwijt ben, blijkt hij stiekem op zijn logeerkamer of in de keuken een boek zitten te lezen. Geen mooie eigenschap, maar voor deze kwis kwam deze afwijking me wel goed van pas. De bulk van onze punten werd echter voor ons binnen geharkt door NRC tv-recensent Hans Beerekamp. Die werd ons toegewezen en daarvoor dank ik de NTR op mijn blote knieen. Beerekamp had een van de hoogste scores bereikt in een lezersquiz in Vrij Nederland. Dat is hetzelfde als dat Voetbal International een wedstrijd over voetbal uitschrijft. Dan krijg je mensen die weten hoe de rechtsback heet van het team van Dynamo Kiev dat in 1975 de Europacup II won.

Zelf had ik bij de quiz maar liefst twee vragen bij het juiste eind. Zo herkende ik de cover van De cirkel, de nieuwe roman van Dave Eggers, en ik raadde dat de naam van de prijs voor iemand die zich verdienstelijk had gemaakt voor het edele genre van het antiquarisch boek misschien wel eens de Boudewijn Büch-prijs kon heten. Voor de rest knikte ik af en toe eens.  De laatste keer dat ik iets van voor 1900 was, was enkele jaren na dat jaartal, om precies te zijn in 1982 , toen ik voor mijn literatuurlijst verplicht Van den Vos Reinaerde, Elckerlyc, Die Leiden des jungen Werthers en Ilias moest lezen. Sindsdien mijd ik ieder boek waar in de titel reeds de lettercombinaties ae en ck in voorkomen als de pest. Ik heb in de voorbije decennia keurig mijn klassiekers gelezen, maar ik moet het toegeven: de laatste tien jaar richt ik me als lezer voornamelijk op hedendaagse literatuur.

De jonge broers Thomas en Daan Heerma van Voss (1986) (niet te verwarren met Van den Vos Reinaerde) hadden kennelijk een soortgelijk probleem. Ze bereikten het stadium der suïcidale wanhoop na de vraag waar het boekenweekessay van 1996 van schrijfster Carolijn Visser zich afspeelde. Zelfs de Lezers van Vrij Nederland zaten stuk voor stuk glazig voor zich uit te kijken. (Het antwoord? Nicaragua). Ander voorbeeld van een vraag die de broers kregen: welke van deze zes vooroorlogse Duitse schrijvers heeft geen zelfmoord gepleegd. Je zag de broers smachten naar een vraag over een nog levende auteur. Toen ze (net als ik) vermoedden dat een vraag over de beklimming van de Mont Ventoux de recente bestseller van Bert Wagendorp betrof (onjuist, de vraag ging uiteraard over het bekende boek L’Ascension du Mont Ventoux van Francesco Petrarca (1304-1374)) rolde een tsunami van plaatsvervangende schaamte mijn kant op.

De NTR Boekenquiz bevestigde in alles het beeld van een vak dat leeft in het verleden: een decor dat zo maar eens een tweedehandsje zou kunnen zijn van de Boekenquiz in 1976.

Geen vraag over hedendaagse auteurs als Arjen Lubach, Alex Boogers, Christiaan Weijts, Saskia de Coster, Franca Treur, Ingmar Heytze, Mano Bouzamour, Özcan Akyol, Jan van Mersbergen, Peter Buwalda of andere schrijvers die de vijftig nog niet gepasseerd zijn. Ook vragen over populaire schrijvers als Nico Dijkshoorn, Joost Zwagerman, Herman Brusselmans, Tom Lanoye, Saskia Noort, Herman Koch of andere levende auteurs waren ver te zoeken.

Arnon Grunberg, Geert Mak, Maartje Wortel en Adriaan van Dis kwamen zowaar even langs, maar het moest natuurlijk niet te hedendaags worden, dus hup, daar kwam weer een vraag over de oude Grieken, gevolgd door een instinkertje over de vooroorlogse Duisters. Een minutenlang item over Jules Verne. James Joyce. Goethe. Tsjechov. Jonathan Swift. Charlotte Brontë. Xavier de Maistre (1763). Tuurlijk, laat ons Herman Melville er nog maar eens ingooien. Weet je wat: we graven Bertold Brecht nog een keer op. Nienke van Hichtum, doet het ook altijd goed. Of wacht, ik overdrijf: Doris Lessing is ons pas onlangs ontvallen en Alice Munro en Annie Proulx leven nog, althans toen ik dit schreef.

Dit leek op Twee voor twaalf: een programmaconcept uit de jaren zeventig  waar we ons thuis voor de tv konden verlustigen aan vreemde mensen die allerlei rariteiten wisten over deelgebieden van subonderwerpen.

De belangrijkste vraag die door presentator níet gesteld werd: doet u gezellig mee, thuis? Dat moeten we natuurlijk niet hebben, dat mensen het idee krijgen dat literatuur en boeken voor iedereen zijn. Gelukkig waren er wat verzetjes. Heel Nederland wil natuurlijk dolgraag weten wat de drie favoriete reisboeken van Abdelkader Benali zijn en we konden ons ruim een uur laven aan de humor waarmee Joost Karhof de boel vlotjes aan elkaar praatte. Het aanwezige publiek zag je – voor zover niet in slaap gevallen – denken: dit is nog erger dan een college middeleeuwse literatuur vroeger op school. Zelfs de puntentelling was onnavolgbaar (en ging ook fout: de lezersprijs moest middels een ondertitel in de montage worden gecorrigeerd).

Was er dan helemaal niks leuks aan de NTR Boekenquiz? Jawel. Er waren vermakelijke filmpjes met Black Adder, Micha Wertheim, Simon Carmiggelt en Kees van Kooten, en de schrijver die in een vol stadion live een roman schrijft. Goed gekozen. Het leek wel entertainment.

Als het de doelstelling van de NTR was om boeken lezen voor te spiegelen als iets van vroeger, dat de Boekenweek is voorbehouden aan grijzende vijftigers die de boekbijlagen van Vrij Nederland en NRC spellen, dan is dat prima gelukt. Gelukkig gaat het uitstekend met het vak en zitten we met zijn allen helemaal niet op een nieuwe aanwas van lezers te wachten. Stel je voor.

Voor volgend jaar bid ik dat BNN de Boekenquiz wil aanpakken. Als je erin slaagt om Nederland thuis op hun smartphone of tablet massaal twee uur lang met de IQ-test en de Wetenschapstest mee te laten doen, dan moet dat ook wel lukken met literatuur.

 

Mentale verwijderingsbijdrage

Big Data. Het had zo de titel van een nieuw televisieformat van John de Mol kunnen zijn. Maar het betekent simpelweg dat alle gegevens over  wat wij kopen en bekijken wordt opgeslagen en vervolgens wordt doorverkocht aan andere bedrijven die op hun beurt weer willen dat we iets van hen kopen of bekijken.

Vooral de koppeling van onze aankoopgedrag met ons bankrekeningnummer is goud waard. Je bankpas wordt dan in feite een big bonuscard, waaruit ieder bedrijf die er interesse in heeft (en er ING geld voor wil betalen, want voor niks gaat de zon op) kan putten. We waren ooit klapvee, nu zijn we cash cows.

Beste politici, het is niet zo heel ingewikkeld. Ik snap dat ING dit graag wil en ik snap dat bedrijven daar geld voor over hebben. Ik begrijp dat Adidas graag wil weten dat ik vorige week Nikes heb gekocht, en dat ze daarom op mijn Facebookpagina  een aanbieding willen posten.

Ik wil er als cash cow alleen zelf ook iets aan verdienen.

Stel wettelijk verplicht dat voor iedere mailing, post, advertentie of aanbieding die ons op basis van gekochte Big Data in de maag wordt gesplitst, de consument ook 10 cent ontvangt. Een soort mentale verwijderingsbijdrage. ING rijk, wij rijk.

De namen verpand

 ‘Polare definitief failliet, winkels blijven voorlopig open.’ stond vandaag overall te lezen. Ik zal niet de enige zijn geweest die dacht: ‘Mooi. Snel die kouwe blauwe letters van de gevel slopen, er nog deze week de ouwe naam voor in de plaats zetten, en door.’

En toen las ik in NRC het interview met investeerder Paul Dumas van Procures, de investeringsmaatschappij die ons Polare schonk. Geen slecht interview. Ik kreeg zelfs begrip voor wat de man allemaal te berde bracht. Tot deze passage. Het leken de openingsregels van een roman van A.F.Th. wel, maar het betrof hier toch echt non-fictie.

Klopt het dat u de oude namen van de winkels heeft verpand aan de banken?

„Ja. Bij de overname hebben we alles verpand aan de banken. Zij wilden alle zekerheden die er waren. Dus wie nu een oude naam opnieuw wil gaan gebruiken, zal die moeten verwerven. Hoeveel ze kosten bekijkt de bewindvoerder van geval tot geval.”

Soms hoef je, om je punt te maken, niet meer te doen dan even te herhalen wat er staat. Daar komt –ie dus, nog een keer.

‘Dus wie nu een oude naam opnieuw wil gaan gebruiken, zal die moeten verwerven.’

Geachte bewindvoerder,

De komende weken zult u benaderd worden door mensen in Den Bosch, Tilburg, Utrecht, Rotterdam, Breda, Maastricht, Nijmegen, Arnhem, Amsterdam, Leiden, Den Haag, Eindhoven, Leeuwarden. Personeelsleden, sympathisanten, klanten en literatuurliefhebbers, allemaal mensen die allemaal maar één ding willen: hun grote boekwinkel behouden. Geloof het of niet in deze tijd, meneer de bewindvoerder: ze zijn zelfs bereid hierin te investeren.

Deze mensen gaan het verdomd moeilijk krijgen: in deze markt een rendabele mega-boekwinkel runnen op een A-lokatie: ga d’r maar aan staan. Alleen de poging al verdient respect van iedereen die wel eens een boek leest.

Wij, lezers en schrijvers, kunnen daarbij helpen. We zouden om te beginnen de komende dagen massaal deze winkels binnen kunnen stappen en er gewoon ouderwets een boek kopen. Support your local bookstore.

U, geachte bewindvoerder, kunt ook helpen. Als er mensen bij u aankloppen met een serieus plan de Polare-winkel in hun stad een doorstart te geven, kunt u ze een steuntje in de rug geven.

Geef ze de naam terug die er boven de deur van de winkel moet prijken. De prachtige Hollandse naam die de boekwinkel in hun stad altijd heeft gehad, de naam waar iedere lezer in die stad nog steeds warme gevoelens bij heeft.

Broese. Donner. Scheltema. Gianotten. Dominicanen. Van Piere. Kooyker. Verwijs. V.d. Tille. Dekker v.d. Vegt. Scholtens. Deze namen behoren u niet toe, geachte bewindvoerder.

Die namen behoren niet toe aan Procures. Die namen behoren niet toe aan de bank.

Die namen behoren toe aan de literatuur.

Beste bewindvoerder, namens honderdduizenden literatuurliefhebbers, namens iedereen die ooit uren heeft rondgestruind in een van die mooie boekwinkels in onze steden, vraag ik u om een gunst: geef deze namen terug. Geef de naam van de winkel aan een nieuwe investeerder, voor de symbolische prijs van één euro.

Eén euro. De dappere nieuwe investeerders zullen het al moeilijk genoeg krijgen.

 

Kluun

 

We lopen achter de muziek aan

Dit ingezonden stuk staat vandaag in de Volkskrant.

In de muziekindustrie maakte men elkaar wijs dat het allemaal niet zo’n vaart zou lopen. Dat cd’s 40 euro moesten kosten. Dat mp3’s minderwaardige geluidskwaliteit boden. En dat illegale downloadsites de schuld van alles waren.

Nightwriters-collega’s Susan Smit en Ronald Giphart mochten bij Pauw en Witteman uitleggen hoe belangrijk de boekenkast is voor de opvoeding van onze kinderen en dat de teloorgang van Polare niet aan de gedreven verkopers, maar aan die foute investeerders lag. Op Facebook staan petities dat Donner, Broese, Scheltema en Gianotten moeten blijven. Saskia Noort beklaagde zich op Twitter en in de Volkskrant dat er vijftienduizend exemplaren van haar nieuwe bestseller illegaal zijn gedownload in plaats van netjes zijn gekocht.

Collega’s, uitgevers, boekverkopers, literatuurliefhebbers, wen er maar aan: een deel van de bestaande boekwinkels is eenzelfde lot beschoren als platenwinkels, videotheken en reisbureaus. Over een paar jaar zijn er in grote steden nog een paar Bruna’s en Ako’s, waar je terecht kunt voor een boek uit de bestseller-top tien, paperclips en Staatsloten. En in grote steden zullen er enkele  onafhankelijke boekwinkel blijven bestaan, bemand door apostelen van de literatuur. Winkels met een hoge gunfactor en een onomstotelijke toegevoegde waarde op internetsites. Voor een beperkte groep literatuurliefhebbers.

Misschien zijn onze steden gewoon wel te klein voor mega-boekwinkels. Bij Scheltema, Donner, Gianotten was het financieel al lang niet joho. En ja, natuurlijk zijn er blunders gemaakt bij Polare. Ze hebben lezers als consumenten behandeld, en marketing is als poepen: het moet, maar niemand wil het ruiken. In de Polare-winkels rook het naar sterfhuis. Gedreven verkopers werden murwgebeukte verkopers. Dát mag je het management verwijten. Maar je kunt de investeerders van ProCures moeilijk de schuld van de crisis in de schoenen schuiven. Autodealers, horecazaken, hifi, computers verloren dertig tot veertig procent omzet. Het bloed loopt door de winkelstraten. Boeken verloren ‘maar’ twintig procent.

Blijft het daarbij als het economisch tij keert? Ik twijfel. De massa boekkopers van weleer is in ieder geval niet massaal aan de eBooks gegaan. Het aandeel eBooks is een paar procent. Ter vergelijking: van The Dinner van Herman Koch wordt in de VS rond de veertig procent per eBook verkocht. Daar deed Amazon hetzelfde als telecombedrijven ooit hier: het apparaat bijna gratis weggeven en voila, je krijgt de gebruikers erbij. Hier heeft Bol.com halfbakken ingezet op de Sony eReader en Kobo heeft een ondeugdelijk, on-sexy eigen apparaat geïntroduceerd. Tel daarbij op dat uitgevers vonden dat een eBook best 10 tot 12 euro mocht kosten en het pad naar illegale downloads is geplaveid. (Denkt Saskia Noort echt dat die vijftienduizend downloaders anders voor Debet hadden betaald? Dit zijn de weggetjesweters, mensen die het een sport vinden een nieuwe bestseller gratis te downloaden en een usb–stick te hebben waar tienduizend boeken op staan. Je zal ze moeten lezen.)

Mensen willen best betalen. In de VS wordt haast niet meer illegaal gedownload. In Scandinavië gebruikt 80% van de mensen Spotify. In Nederland gebruikte twee maanden na introductie al zes procent van de mensen Netflix. Radiohead bood enkele jaren geleden haar album In Rainbows aan op het net, tegen vrijwillige betaling. Men betaalde gemiddeld 5 euro. Radiohead verdiende meer dan met het album ervoor.

Het papieren boek blijft heus wel bestaan. Mijn uitgever en ik onderzoeken of we DJ, mijn nieuwe roman, dit najaar all inn kunnen uitbrengen. Koop de papieren versie, krijg de code erbij waarmee je DJ ook op je smartphone, tablet of laptop kunt lezen.

De eerste Spotify for Books-systemen zijn er al. En dat is helemaal niet erg. Mijn kinderen zijn niet weg te slaan van Spotify. Ik ben blij als ik af en toe een eigen lijstje mag opzetten. All you can read = alle boeken van de wereld aan je voeten. Binnen een seconde Dostojewski en Elsschot bij je thuis. Welk een opvoedkundige zegen.

Ja, lezen verandert. De romantiek van uren achtereen ondergedompeld zijn in de wereld van een roman: het gaat voorbij. We leven sneller, reizen sneller, switchen sneller. Maar mensen blijven behoefte hebben aan collectief beleven. Ik zit in een What’s App groep over Homeland. Met een strikt verbod plotwendingen te posten. Neem eens een kijkje op Soundcloud en stel je een Bookcloud voor, met lezers die commentaar geven op zinnen, alinea’s, plotontwikkelingen, en samen discussiëren over het betreffende boek. Een wereldwijd digitaal leesclubje.

De boekenkast gaat dezelfde kant op als de cd-verzameling, die ook niet meer pontificaal in de woonkamer staat, als uithangbord van je goede smaak.

En dan lezen we niet meer uren achtereen, nou én? Als mijn lezers DJ straks een half uur lezen in de trein op hun tablet, vijf minuten op de wc op hun smartphone en ’s avonds nog tien minuten in bed in de papieren versie, ben ik een tevreden schrijver.

Laat ons niet dezelfde fouten maken als de muziekwereld. Stop met klagen en geloof in de kracht van het geschreven woord. Dat blijft bestaan. In verschillende verschijningsvormen.

 

 

 

P-Night

We praten begin jaren tachtig. Internet bestond niet en video amper, althans niet in Tilburg. Als puber was je aangewezen op de Tuk, Candy, Chick, Seventeen en Rosie (dat die namen er na vijfentwintig jaar nog zo makkelijk uitrollen zegt wat over het enthousiasme waarmee ik ze destijds eh… las) (maar voor u denkt dat ik me destijds enkel en alleen daarmee bezighield – met hetzelfde gemak lepel ik namen van magazines als Voetbal International, PEP, Hitkrant en Avro’s Televizier op, hoor).

Toen ik voor het eerst pornobladen zag (ik zal niet zeggen waar ik ze vond, dat vind ik zo lullig voor mijn ouders), duizelde het voor mijn ogen. Pagina’s vol vagina’s, gevuld met komkommers, kaarsen, kunstpenissen, schaakstukken, bierflesjes en hier en daar nog een mannelijk lid van vlees en bloed ook. Dat dit bestond, het was nog nooit in me opgekomen. Dat vrouwen dit deden! En wat voor vrouwen! Zo zag je ze in Tilburg niet. Het waren de jaren waarin niet werd gekeken op een eyelinetje meer of minder en de blauwe oogschaduw was blijkbaar ook in de aanbieding. De modellen hadden nog echte borsten, vaak half wit qua bikini, maar dat was dan ook de enige aanwezige bikinilijn, want het schaamhaar tierde begin jaren tachtig welig. Skippy the Bushkangaroo.

Het meest schokkende beeld, dat zich in mijn teergevoelige puberzieltje nestelde om er nooit meer uit te komen, was dat van de Goede Sint, die, steunend op zijn staf zijn tabberd omhoog tilde en een blonde dame van achter van jetje stond te geven. De goedgeiligman had niet eens de tijd genomen om zijn mijter af te zetten.

Eenmaal ontdekt lustte ik er wel pap van, van porno. Tot mijn standaarduitrusting in mijn zolderkamer behoorde een zakdoek die na enkele weken zo hard was dat hij bijkans onder de wet op verboden wapenbezit viel en een stapel porno waar je de winter wel mee kon doorkomen. Uren achtereen besteedde ik aan mijn nieuwe hobby. Nog een wonder dat ik geen tennisarm heb opgelopen.

Het enige vervelende was de aanschaf. Daar moest je de deur voor uit. En, erger nog, een winkel voor in.

Er waren twee mogelijkheden. De reguliere tijdschriftenhandel of de seksshop.

Beide opties hadden nadelen.

Als puber een pakketje zelfhulpporno op de toonbank te moeten leggen in een tijdschriftenwinkel, gadegeslagen door de besmuikte blikken van mensen die er hun Brabants Dagblad, hun Story, hun Camel filter en doosje Wilde Havanna’s haalden, was geen pretje. Dat voelde als met een wc-rol onder je arm op de camping lopen. Sommige dingen hoeft niet iedereen te weten.

Bij een seksshop was dat makkelijker. Daar was je onder geestverwanten, die zich omgekeerd evenredig aan motorrijders gedroegen: nooit elkaar aankijken en zeker niet zwaaien. In de seksshops van weleer hing een zweem van schimmigheid. Het waren niet de gestyleerde Christine le Duc winkels van nu, waar seksspeeltjes als designartikelen in de vitrines worden uitgestalden frisse fruitige meisjes de in’s en out’s van de nieuwe Tarzan demonstreren alsof het een tosti-apparaat met verwisselbare wafelplaten betreft. De verkoper van destijds was meestal een wat oudere man van wie je liever niet wilde weten wat hem zo aantrok in deze branche, maar hij kende zijn pappenheimers: zwijgend en zonder besmuikte blikken werden de Tuks en Candy’s in een discrete verpakking gestoken waarmee je thuis kon komen zonder dat gelijk de pleuris uitbrak.

Maar voor je er binnen was. Brrr. Als je eindelijk, na er vier keer zo onopvallend mogelijk langs te zijn gelopen, alle moed bijeen had geraapt om de deurklink van de seksshop vast te pakken, bad je tot onze lieve heer dat de fietser die net de hoek om kwam rijden toevallig niet dat meisje uit 3b was.

Jaren later begreep ik pas dat ik niet de enige was. Ál mijn vrienden hadden een verzameling porno in hun nachtkastje opgebouwd om u tegen te zeggen. Er werd gretig uitgewisseld, waarbij niet te flauw werd gedaan om een vastgekoekte bladzijde.

Toen kwam de video. En de feesten in het studentenhuis van R. en P.

P-nights, werden ze genoemd. Met zes of zeven andere bronstige bavianen Miami Spice en Debby does Dallas kijken.

Ik vond het helemaal niks. Ik ginnegapte mijn opkomende geiligheid vakkundig weg. Seks doe je met z’n tweeën of hooguit, in een dolle bui, een keer met zijn drieën of vieren, maar porno doe je alleen, punt. Daar was ik heel principieel in.

Tot ik erachter kwam dat vriendinnen ook niet vies waren van een stevig potje porno.

Het gaf een heel nieuwe dimensie aan het fenomeen P-Night.

 

 

 

Beste Lieve Heer,

U weet dit natuurlijk allemaal al (u kennende wist u het waarschijnlijk eergisteren al), maar even voor de goede orde: gisterenochtend vroeg reisde ik naar Breda om daar dertig peuters voor te lezen voor het nationaal Voorleesontbijt. Belangeloos.Daarna ging ik naar TIlburg om even ons mam te bezoeken en met haar te lunchen.
En gisterenavond, nota bene tijdens Ajax-Feyenoord, ondernam ik de reis naar Lelystad, om daar zitting te nemen in het belpanel van de landelijke actie Sta op tegen kanker.
Hoeveel meer do goodie goodie kan een mens zijn op één dag, Lieve Heer?

Kunt u mij dan uitleggen waarom ik vanochtend in de zeikende regen met een lege accu in mijn Cadillac stond?
Nou? Heeft u misschien een hekel aan Amerikanen?

Vertrouwend op een afdoende verklaring en uw excuses,

Hoogachtend,

 

Kluun

140121 crecheNu Onze Lieve Heer nog.
Een boekwinkel is geen marketingprodukt

De liefde was eruit. Je zag het, overal. Geen dynamiek, geen bevlogenheid. Sturm und drang-types als Monique Burger (De Nieuwe Boekhandel in Bos en Lommer (!) en de andere drie apostelen van het boek bij DWDD: bij de kleinere boekhandel zie je ze nog, maar bij Polare raakten ze uitgestorven. Het valt ze amper kwalijk te nemen. Bedrijf in mineur? Winkel slecht humeur. De wet ging helaas ook deze keer weer op.

Eigenlijk ging het al fout vanaf het moment dat boekwinkels namen kregen met een moderwetsche y erin en een z op het eind, laat staan het onzinnig vervreemdende Polare. Ik zal de laatste zijn die iets tegen reclamejongens heeft, maar du moment dat een reclameman of naambedenker zich teveel bezig gaat houden met het communicatiebeleid van ‘produkten’ met een ziel, dan gaat het fout. Kranten, voetbalclubs en  politieke partijen zijn niet samen te vatten in een kekke nieuwe naam, ze laten zich niet vangen in een simpele, eenduidige marketingpositionering.

Een boekwinkel is geen marketingprodukt. Boeken zitten tussen kunst en commercie in, veel meer dan films, meer dan theater, meer dan muziek. Over geen enkele andere kunstvorm wordt zo fanatiek gedebatteerd. Een lezer wil zich geen consument voelen en dat is de fout die bij Selexyz/Polare is gemaakt.

Ik blijf heilig geloven in boekwinkels. Een boekwinkel met een oppervlakte zoals ze vroeger in iedere grote stad kende? Ik heb er een hard hoofd in.Maar  boekwinkels met een ziel blijven bestaansrecht hebben. Een ziel die Scheltema, Gianotten, Broese, en al die andere prachtige winkels ooit hadden.

Ik wens de medewerkers van Scheltema, Gianotten, Heinen, Broese, Donner, Kooyker, Van Piere, Dominicanen en die andere prachtige winkels een tweede leven.

Kluun