Nieuws

Interviews, recensies en meer

Spacegras

Column voor Mysteryland van een paar jaar geleden. Morgen lees ik er weer voor, in The Crooning Jazz Club, 16u sharp. Tien minuten, en dan mag je weer gaan beuken. Of blijven en luisteren naar Joost van Bellen (als schrijver, deze keer) of Mano Bouzamour.

Stel, je bent koe.

Jarenlang sta je op een weiland. Links van je nog een weiland, rechts ook, voor je een snelweg en achter je, welja, nog maar eens een weiland, waarop in de verte de boerderij van de boer, de man die je iedere dag aan je uiers komt trekken. Alle dagen zijn eender, ze lijken op elkaar als boeken van Nicci French. ‘s Ochtends ontbijt je met gras, ‘s middags, tijdens de lunch, eet je gras en als diner eet je gras. En tussendoor ook. Je graast wat af als koe, wat moet je anders. Nooit gebeurt er eens wat, er is niks op tv (sterker, er is helemaal geen tv).  Van verveling ben je op de momenten dat je niet met je kop in het gras zit maar begonnen met herkauwen van het gras dat je daarvoor hebt gegeten. Verder flap je er nog eens een flinke multivlaai uit, je kijkt een beetje rundachtig naar het voorbijrazende verkeer, je laat eens een boe, je haalt wat ouwe koeien uit de sloot met je medeweilandbewoners Clara 164 en Betsie 34, en ach, kijk ‘ns aan, daar is de boer alweer met zijn grijpgrage melkmachine. Geil. En dan doen we een plas, eten maar weer eens een pluk gras en morgen wordt een dag zoals er gisteren ook al eentje was.

Totdat.

Opeens, op de laatste zaterdag van augustus (al heb je als koe geen flauw benul wat augustus is) (ook niet wat zaterdagen zijn, trouwens) (je hebt eigenlijk helemaal geen benul, om precies te zijn), gebeurt het. Die ochtend waren ze vroeg in de weer geweest, die mannen met die koddige fluorescerende hesjes en dat roodwit lint waarmee ze jouw weiland doormidden deelden. Het is dat je geen prater bent, anders had je er zeker wat van gezegd. ‘Hé, wat moet dat in mijn weiland?’

En net nu je wat aan het uitbuiken bent van je grasontbijt, komen er auto’s je buurweiland oprijden. Er komt geluid uit de auto’s. Boemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboemboem (koeien hebben geen idee wat 140 bpm is) boemboemboemboemboem boemboemboemboemboemboemboem. De melkmachine van de boer is er niks bij. De auto’s worden op aanwijzingen van de mannen in de fluorescerende hesjes keurig op een rijtje geparkeerd. Het portier gaat open. Er komen twee korte witte laarsjes uit. Felroze, harige beenwarmers erboven. Om de billen een rokje met koeienprint (hé dat herken ik, denk je). Een bloot buikje met een glinsterend dingetje in de navel en een getattoeeerde tja, wat is het, zon of ster eromheen. Een wit hesje (met kwastjes) om de uitbouwtieten. Een zonnebril die het hele gezicht bedekt. En een grote witte kojbojhoed. Op jouw weiland. ’s Ochtends, nog voor twaalf uur.

Wat zat er in godsnaam in dat gras vanochtend, vraag je je af.

 

 

Tsjie

Het Bai Dinh Hotel is  onderdeel van het Bai Dinh temple spitirual en cultural complex. Het kwam af in 2012, en was speciaal gebouwd voor het 11e Vesak congres, een soort Gay Pride,  met boeddhisten in plaats van homo’s. Er kwamen tienduizenden boeddhisten op af. In het Dai Binh hotel sliepen enkele honderden politieke en religieuze Zuid Oost Aziatische leiders. Nog stees komen dagelijks enkele duizenden boeddhisten uit heel Zuid Oost Azie naar de pagodes kijken, maar het prachtige Bai Dinh hotel laten ze daarbij links liggen: voor het donker wordt zijn de duizenden pelgrims al weer per bus vertokken naar hun eigen hotels.

Wij verbleven er een nacht. Naast de twee kamers die we boekten, was nog één andere kamer van het hotel, dat enkele honderden mensen kan herbergen, bezet. We werden onthaald door vier mensen achter de receptie die, zo we later begrepen, ook de enige personeelsleden waren van die dag. En nacht.

Bij het inchecken kregen we een A-4tje in onze handen gedrukt met daarop de mogelijkheden in het Vietnamees, en ernaast in het Engels. Of we, gezien de geringe drukte, het ontbijt voor de ochtend erna, nu alvast wilden bestellen. We kruisten we twee koffie, twee thee, drie vruchtensap, twee fried eggs, drie yoghurt, twee fruitsalade en drie cheese sandwich aan.

De congresruimte deed dienst als restaurant/ontbijtruimte. Er waren 72 tafels, de onze was als enige bezet. Een vriendelijke serveerster bracht drie bordjes met de fruitsalade (een stuk watermeloen), daarna drie borden met sneetjes witbrood en nog twee schaaltjes met boter. Boter is ‘bô’ in het Vietnamees, legde onze serveerster uit. Na ons enkele maken gecorrigeerd te hebben (‘boh? Boo?’ ‘No, bàh!’ ”Báááh?’ No, bàh!’ ‘Ah, bàh!’ ‘Yes, velly good!’) konden we overgaan op de vertaling van brood. Nadat we die begrepen en weer vergeten hadden, informeerde ik voorzichtig of er al zicht op de cheese was. De serveerster keek ons niet begrijpend aan.

‘Cheese,’ herhaalde ik. ‘We also ordered three cheese sandwich?’

‘Tsjie?’ Vroeg ze verbaasd.

‘Cheese,’ hielp mijn oudste dochter haar een beetje op weg.

Onze serveerster/lerares Vietnamees gaf geen blijk van herkenning, maar gebaarde wel dat we de yoghurt op het brood moesten smeren, dat dat heel lekker was en bleef bij die tafel staan om te controleren of mijn kinderen wel de daad bij haar woord voegden. ‘Delicious,’ voegde ze eraan toe. Dat woord kende ze wel.

Nu huldig ik het principe van ’s lands wijs, ’s lands eer, maar ik had moeite met het idee om bloedserieus yoghurt op brood te eten.

In plaats daarvan begon ik, in afwachting van de cheese, maar vast een aantal sneetjes met Bò in te smeren.

Lang kon het immers niet duren, we waren, net als gisterenavond, de enigen in de congreszaal annex restaurant.

Onze serveerster maakte geen aanstalten naar de keuken te gaan om te kijken of de kok er al in geslaagd was ergens kaas op de kop te tikken.

‘Maybe you ask in kitchen for the cheese sandwich?’ Moedigde ik haar aan.

Ze ging kijken.

En kwam terug met nog een schaaltje, dit keer met koude boter. Ze keek er opgelucht bij en zette het trots neer.

Mijn middelste dochter schraapte met haar mes een stukje er vanaf en proefde het.

‘Nog meer Bò!’ concludeerde ze.

De serveerster knikte weer.

‘And the cheese?’ Vroeg ik.

‘No tsjie.’

‘But yesterday we ordered. On The menu. You have menu?’

Ze verdween en kwam opgetogen terug met het A4-tje waarop wij gisterenavond voor het woord cheesesandwich het cijfer 3 hadden genoteerd.

Ik wees het haar aan. ‘Three. Three cheesesandwich, you see.’ Je zou bijna aan jezelf gaan twijfelen.

‘Tsjie?’ Ze hield het papier dicht bij haar gezicht, bestudeerde het aandachtig, bekeek vervolgens de Vietnamese woord ernaast en ging toen de manager erbij halen.

Ook hij bekeek het voorgeprate papier met onze bestelling en schudde toen zijn hoofd.

‘No cheese,’ zei hij. ‘Hotel has no cheese.’

‘But is in on the menu!’

‘No, is not. No tsjie. Only bàààh.’

Ik wees nog een keer op het Engelse Cheesesandwich.

Hij schudde weer zijn hoofd.

‘Translation is wlong.’

140730 copy

 

Hollandse school

Stel dat Vincent van Gogh zich ooit iets van kritiek had aangetrokken. Wat nou impressionisme. Die zonnebloemen leken niet eens.

Stel dat Mondriaan had geleefd in de tijd van VI Oranje, Telegraaf en Twitter. Had-ie dag na dag te horen gekregen dat dat natuurlijk nergens op sloeg, met die gekleurde vierkantjes. Abstract, me reet, dit kon een kind.

Rembrandt, Vermeer, dat was de Hollandse school.

Het Nederlands elftal van 2014 wordt verweten dat het heeft gebroken met de heilige Hollandse School.

Hugo, het pleit voor jou dat je eerlijk toegeeft dat je in een midfootballcrisis zit, maar je jonge collega’s van het AD hebben gelijk: wij, mannen van in de vijftig hebben in de zomer van 1974 een totaalvoetbaltrauma opgelopen. En zoals met ieder trauma het geval is: de historische realiteitszin gaat erdoor verloren.

Oranje heeft in de afgelopen 40 jaar in totaal drie weken achtereen likkebaardend lekker voetbal gespeeld. In 1974. Ik was tien, ook ik herinner me nog waar ik was when we were fab.

Maar ik herinner me ook het WK van 1978. Het is dat Rep, Haan en Ernie Brandts er af en toe eentje van vijfendertig meter in peerden, anders had Rensenbrink ‘m helemaal nooit op de paal kunnen schieten in de finale. Het voetbal was niet om aan te zien.

De hele jaren tachtig kunnen we overslaan, op 1988 na, het enige jaar waarin we iets wonnen. Met anderhalve spits en een tactiek die samen valt te vatten als ‘Alle ballen op Marco’. Een wedstrijd speelden we Hollands. De eerste, tegen Rusland. We verloren hem.

Het Holland van 1990 hebben we vorige week kunnen zien bij Andere tijden Sport en van 1994 herinner ik me niet veel meer dan het institute of funny walks van Jan Wouters op de doellijn tegen Belgie. O ja, en een kwartiertje tegen Brazilie.

En in 1998, onder Hiddink dan? Nee hoor. Youtube het maar eens. Een prachtige overwinning tegen Zuid Korea. Voor de rest: gelijke spelen en ontsnappingen in de laatste minuten.

In 2002 waren we er niet, in 2006 hadden we er beter niet kunnen zijn en in 2010, tja, daarvan vindt alleen Bert van Marwijk dat we toen toch echt het spel probeerden te maken.

De mooiste doelpunten uit de historie van het Nederlands elftal ontstonden uit counters. Bergkamp in ’98? Een pass over vijftig meter uit een counter. Cruijff tegen Brazilie ’74. Van Basten ’88. O ja, en Van Persie en Robben de afgelopen weken.

De Hollandse school bestaat op het trainingsveld, en voor de rest is het misplaatste romantiek een mythe, geschiedvervalsing.

Wij en de rest van de wereld zijn gaan geloven in het imago van Oranje: voetbal zoals Rembrandt en Vermeer schilderden.

Dat is 1) niet waar, met uitzondering van een paar wedstrijden in 1974, en verder af en toe een half uur als het er om ging. O ja, en 50 minuten tegen Spanje, een half uur tegen Mexico en tien minuten tegen Chili. Helemaal geen slechte score, tot nu toe.

En 2) kan ook helemaal niet meer. In 1974 kon je nog een Braziliaan onbestraft doormidden schoppen. Alleen Johan Cruijff denkt nog dat je best anderhalf uur lekker kunt aanvallen en dan wint van ploegen als het Chili en Mexico van nu. Bij 38 graden.

Cruijff was Rembrandt.

Van Basten was Van Gogh.

Van Persie, Robben, Van Gaal: jullie zijn Mondriaan. Hollandse School 3.0

 

 

Lieve Linda,

ik hoorde dat je vijftig bent geworden. Ach gut. Vrouwen denken vaak dat het mannen  ontbreekt aan een gen voor empathisch vermogen, maar Linda, ik leef echt mee. Hoe gaat het met je? Heb je al opvliegers?
Wat heb jij eigenlijk met je vijftigste verjaardag gedaan? Een koffietafel met cake en een paar mooie toespraken van vrienden, die hun medeleven betuigden? Of heb je het echt gevierd? Het moet geen lolletje voor je zijn geweest, kan ik me zo voorstellen. Je kunt wel blijven botoxen en liften, maar op een gegeven moment loop je vaker met dan zonder pleisters op je oogleden. Om maar niet te spreken van de tijd die gaat zitten in een liftje hier en een toxje daar en het godsvermogen dat het kost, die continue camouflage-oefening. En dan barst jij nog van het geld.
Maar ik wil het niet over jou, maar over mezelf hebben. Daar zijn mannen sowieso beter in, praten over zichzelf. Ook wat dat betreft doet leeftijd er niet toe bij ons.
Dus vort met de geit. Ik zeg dit niet om je een rotgevoel te bezorgen, maar ik vind het eerlijk gezegd wel lollig, dat vijftig.
Eerst werd ik het weekend voor ik jarig was, verrast door een collectie vrienden die ik in de afgelopen vijftig jaar om me heen verzameld had. Achttien heren die ineens in een sloep kwamen aanvaren bij mijn woonboot op de Amstel, waar ik sinds enkele jaren woon. In de maanden voor je gaat trouwen, kijk je achter elke boom of je vrijgezellenfeest niet begint, maar nu stond ik te kijken als een aap die moest jongen. Voor ik het wist zat ik op een boot vol mannen die me toezongen dat ik een jolly good fellow was. Je kent het wel, zo’n boot met kerels waar je meteen een  hekel aan hebt, als er eentje langs vaart. Het viel me op dat je daar heel ander tegenaan kijkt, zodra je zelf onderdeel van zo’n gezelschap bent. Daarbij: alras ging het zingen over in praten. En dan niet alleen over neuken, geld, carriere of Ajax, maar gewoon goede, redelijke en zinnige gesprekken. Da’s wel een voordeel, hoor, als je vrienden in hetzelfde umfeld zitten: het hoeft allemaal niet zo meer. Je hoeft je niet meer te bewijzen, je hoeft niet meer achter de wijven aan als je samen op stap gaat en rare outfits en striptenten blijven je bespaard.
Ik heb van het vijftig worden een meerdaags festival gemaakt. Eerst die surpriseparty, en terwijl ik dit schrijf, ben ik met mijn oudste dochter in New York. Ze is zestien geworden, op dezelfde dag dat ik vijftig werd.  Kadootje van mijn eerste vrouw, toen ik vierendertig werd. Om twaalf uur ‘s nachts kreeg ik zo’n rugzak waar je een kind in kunt doen, om kwart voor zes in de ochtend kreeg ik het kind erbij. Ik heb mijn kinderen beloofd ze New York te laten zien, als ze zestien worden. Voor mijn oudste was dat dus dit jaar het geval. Geld maakt niet gelukkig, zeggen mensen die het niet hebben. Die hebben nog nooit met hun dochter in een helicopter boven Manthattan gevlogen.
Terug naar mezelf.
Ik had het al een tijdje zien aankomen, dat vijftig worden. Eerst word je veertig. Dan hou je jezelf nog voor: dit is toeval. Gewoon een slechte dag. Maar het jaar erna word je eenenveertig. Daarna tweeenveertig en een jaar later ben je doodleuk drieeenveertig. Dan moet je jezelf achter de oren krabben en gaan inzien dat het geen toeval meer is, geen conjunctureel probleem, maar een strukturele ontwikkeling. Je bent onherstelbaar veertiger. Vervolgens is het wachten op de dag dat je vijfenveertig wordt, en richting de vijftig loopt. Dan zie je de bui al hangen. Ineens ben je het. Vijftig.
Steeds vaker hoor je jezelf zinnen zeggen als ‘dat was x-tig jaar geleden.’ Toen we in de finale van Duitsland verloren, veertig jaar geleden. Toen ik voor het eerst Rappers Delight hoorde, vijfendertig jaar geleden. Mijn eerste pil, vijfentwintig jaar geleden. Of toen mijn vader vijftig werd, nu dertig jaar geleden, hadden mijn zus en ik zo’n koddige pop gemaakt. Je kent ze wel. Masker bij de feestwinkel gekocht, pijp in zijn bakkes geduwd, brilletje op zijn kop, ouwe-lullenbroek en trui aan, opvullen met piepschuim en klaar is kees. Of Abraham. Mijn vader was ook best vijftig, toen hij vijftig werd. Iedereen was vroeger (we hebben het over halverwege jaren tachtig) best wel vijftig rond de tijd dat ze vijftig werden. Nu is dat anders. Vijftig is het nieuwe veertig. Grijs het nieuwe blond. En vroeg pieken het nieuwe afteren. Nou dacht ik een tijd dat dit soort wijsheden wordt bedacht door mensen die zelf rond de vijftig waren, uit een soort psychologisch zelfbehoud. Zo’n trend wordt dan opgepikt door magazines, en voor je het weet is het waar. Heb je vaak met magazines, Linda, dat ze trends signaleren die er helemaal niet zijn. Waar moet je anders iedere maand over schrijven.
Maar verdomd, het is waar. Vijftig is het nieuwe veertig.
Althans, voor sommige mannen van vijftig. Van het soepie in dat sloepie dat mij op mijn vijftigste kwam verrassen, geldt dat voor de helft van hen vijftig inderdaad het nieuwe veertig is. Voor de andere helft is vijftig nog steeds zo vijftig als vijftig vroeger was, toen mijn vader vijftig werd. En zonder zijn naam te noemen in dit kader, moet ik stellen dat er eentje bij zat voor wie vijftig het nieuwe zestig is, maar die was al vijftig toen hij dertig was. Sorry, Max.
Wat me trouwens opvalt, als ik ze zo één voor één na ga: de meesten van mijn vrienden hebben geen gewichtsprobleem. Zelf weeg ik ook minder dan op mijn vijfentwintigste, toen ik nog drie avonden per week aan de boemel was (of in mijn geval: in de Bommel was) en er op een avond toch gauw zo’n twintig bier in mijn mijn huig mepte. Die tijden zijn voorbij.
Ten eerste drink ik minder bier. Na een glas of zes, zeven heb ik het wel gehad. Gooi ik er nog een wodkaatje tegenan, en nog eentje, en dan is het wel voorbij met de zin in alcohol.
Ten tweede hoef ik niet per se meer drie avonden per week uit. Als ik heden ten dage één avond per drie weken echt doorzak is het veel. Ik ben niet bang dat ik iets mis als ik er in één weekend thuis met mijn vriendin het hele tweede seizoen van House of Cards doorheen jas. Dat was ooit wel anders. De Bommel in Breda, de Bastille en de Pilsvogel in Amsterdam: er waren tijden dat mijn foto ingelijst op het bureau van de uitbater stond, als de klant die in zijn eentje zorg droeg voor ‘s mans oudedagsvoorziening. Aangetekend dient te worden dat een nachtje doorhalen in DC10 of Amnesia op Ibiza nog wel eens voorkomt. Maar dan wordt er weer niet zo veel gedronken. Mensen hebben het altijd over de gevaren van recreatieve drugs, maar over de voordelen hoor je Postbus 51 nooit.
Hebben ze amper problemen met gewicht, grijs zijn ze wel, die makkers van me. Als postduiven. Alle achttien, stuk voor stuk. Dat wil zeggen, degenen die nog haar hebben.
Ik ben gezegend met een haardos die nog net zo eigenwijs alle kanten springt op als in mijn eerste vijftig levensjaren. De inhammen aan de zijkant zijn in de loop der decennia een ietsiepietsie achteruitgetrokken en mijn slapen zijn bevolkt met wat grijze haren, maar nauwelijks alarmerends, volgens mijn kapper en mijn vriendin. In mijn baard vechten de grijze en oorpronkelijke haren om het meerderheidsbelang. Geen nood, ze kunnen het best met elkaar vinden, mijn baard is een levend voorbeeld dat een multiculturele samenleving best kans van slagen heeft, als je alles een beetje met rust laat. (Wat me trouwens wel bevreemdt, iets waar ik al googlend geen enkel wetenschappelijk onderzoek over kon vinden: grijze baardharen groeien harder dan de oorspronkelijke bevolking. Vrienden van me valt hetzelfde op in hun eigen baarden. Mocht iemand met een exact vak en enige onderzoeksambitie dit lezen: ik verneem graag de reden van deze rare speling der natuur). Komen we bij mijn borstharen.  Ik doe mijn overhemden tegenwoordig een knoopje verder dicht, niet alleen omdat dat mode is, maar omdat ik besef dat grijze haren best iets gedistingeerds kunnen hebben, maar niet als ze opduiken in bossen onder de keel.
Vijftig. Het is alsof je voor het eerst pakken gaat dragen, zo rond je twintigste. Dat je in de spiegel kijkt en denkt, fuck, ben ik dit? Maar als ik kijk naar mannen die ik hoog heb zitten, DJ’s als Carl Cox (ik zag hem laatst een gig doen met een T-shirt met de tekst F*** me I’m fifty) en Richie Hawtin, tv-persoonlijkheden als Wilfried de Jong, Mathijs van Nieuwkerk en Jeroen Pauw: ik vind ze d’r bepaald niet slechter op zijn geworden. En mijn grote held, Bruce is 63. Zijn concerten duren nog steeds langer dan de carriere van de gemiddelde winnaar van The Voiee Of Holland. I rest my case.
Ja, het bevalt me wel, dat ouder worden. Ik ben milder ten opzichte van mensen om me heen, ik barst nog van de ambitie en heb nog minimaal drie boeken in mijn hoofd, ik ben net zo verliefd op mijn vriendin als dat ik op mijn eerste vrouw was toen ik zesentwintig was, ik hoef geen dingen te doen die ik liever niet doe, ik kan doen wat ik wel wil doen, ik geniet van Amsterdam, van het leven, van mijn kinderen.
Maar ik ben natuurlijk wel gewoon een oude man aan het worden. Ik heb drie schoolgaande dochters, die genadeloos zijn, wat dat betreft. Of zoals zij het zeggen: je bent een halve eeuw oud, pap. * hoort kindergelach * De middelste van de drie, die net tien is geworden en dit feit als een prestatie van Olympisch niveau beschouwt, had uitgerekend dat als we de leeftijden van mijn drie dochters optellen, dat ze dan nóg twintig jaar jonger zijn dan ik. Afijn, deze dochters houden me scherp als vijftiger die zichzelf graag wil doen geloven dat vijftig echt het nieuwe veertig is. Er zijn eigenlijk maar een paar dingen die je als vijftiger voortaan moet laten.
Niet meer experimenteren met vreemdkleurige sneakers en T-shirts met opdruk. Jaar of twaalf geleden had ik nog een paar gouden Puma’s en een paar zilveren Nikes. Kon nog. Ik kwam er mee weg. Nu: niet meer doen. En ook geen T-shirts met opdruk meer. Aan mijn lijf geen T-shirt met F*** me I’m Fifty.
Van mijn dochters heb ik geleerd dat je als man, zeker als oudere man, nooit – ik herhaal: nooit – je broek moet ophijsen in gezelschap. Wil je een man op leeftijd herkennen, hoef je alleen daar maar op te letten. Een twintiger of dertiger zal nooit zijn broek ophalen .
Niet over je seksleven praten. Als vanzelf niet waar je zestienjarige dochter bij is, maar gewoon niet. Al neuk je je te pletter als vijftigjarige: veel plezier ermee, hou je niet in, maar loop er niet mee te koop. Ik noem de naam Freek de Jonge en u weet genoeg.
Geen jonge vrouwen nakijken. Het herkennen van lustopwekkende vrouwen is niet leeftijdgebonden, maar de discretie dient toe te nemen. (noot: het valt mij sowieso op dat ik, naar mate mijn dochter meer vrouw werd, oprecht merkbaar minder interesse kreeg in jonge vrouwen. Ik raak amper meer opgewonden van het zien van een mooie vrouw van twintig. Zit niks moreels bij, het lijkt biologisch. Alsof de natuur een handje helpt.)
Maar verder, Linda, kan ik niet anders dan stellen dat het klopt: vijftig is het nieuwe veertig.
Waarbij aangemerkt dat ik één groot voordeel heb ten opzichte van jou.
Ik ben een man.

Liefs,

Kluun

Ajax naar de Bundesliga

We zijn kampioen. Voor de vierde keer. Vier jaar geleden ontplofte de Arena al bij de warming up tegen Twente. Dit seizoen werden we kampioen na een fantastische wedstrijd waarin we Heracles op 1-1 wisten te houden. En dus zijn we weer de beste van Rotterdam, en van Eindhoven, en van Enschede, en van Alkmaar, en van Waalwijk en van… gaap.

Het verschil met 1995 is dat we helemaal niet de beste van Rotterdam en Eindhoven zijn maar dat – om in het jargon van onze andere Grote Volksmenner te blijven – dat Eindhoven en Rotterdam en Enschede en de rest de slechtsten zijn van Amsterdam, als u me nog kunt volgen. Wij zijn de beste van de slechtsten. Meer stelt het kampioenschap van 2013/2014 niet voor.

Straks is het augustus. Horen we dat Frank nog een jaar blijft,  vertrekken er op de valreep weer drie spelers en komen er twee bij en worden we in december in de Champions League en in februari in de Europa League uitgeschakeld en dan is het mei en zijn we vijf keer kampioen in vijf jaar. We kunnen seizoen 2014/2015 evengoed schriftelijk af doen.

‘Is dit alles?’ zou Henny Vrienten zingen. Worden we daar met zijn allen nou warm van? Wat zijn de marges van de verrassing? Een paar jaar geen kampioen worden en dan weer een paar jaar wel? Eén keertje overwinnen in de achtste finales van de Champions League en dan weer zes jaar niet?

Wat willen we met zijn allen? Dat weten we best.

We willen, zonder de Ajax-cultuur te verliezen, de kans krijgen ons te meten met clubs die ertoe doen.

We willen dat we onze spelers niet zien vertrekken als ze eenentwintig zijn.

We willen aantrekkelijk zijn voor topspelers die nog de klasse en energie hebben om een elftal te dragen.

Sorry, maar ik vind Ajax te goed voor iemand die pas als hij bij een Duitse degradatiekandidaat op de bank belandt, gaat verkondigen dat hij `altijd Ajacied in hart en nieren is geweest ’ en – ik moet er bijna van huilen – graag bij Ajax zijn carrière wil afsluiten. Zijn we daar goed genoeg voor?

Nee, schat, ik vind je niet leuk genoeg om mee te trouwen en niet lekker genoeg om als vaste minnares te hebben, maar als er straks niemand anders me meer wil hebben, dan bel ik je hoor, want ik heb altijd van je gehouden.

 

Stel nou eens dat we het anders doen.

We gaan een serieuze poging doen om ons aan te sluiten bij een competitie die ertoe doet. Geen nieuw gedrocht zoals Michael van Praag en Harrie van Raaij ooit vergeefs hebben geopperd, maar een gerenommeerde, aantrekkelijke competitie. De Bundesliga of The Premier League. Wat let ons?

De Nederlandse kampioen (in de meeste gevallen Ajax, gelukkgi) krijgt aan het eind van het kampioensjaar de kans om via een promotiewedstrijd met de nummer laatst van Duitsland een plek te veroveren in de Bundesliga. Verliezen we, dan hebben we daar niks te zoeken en blijven we lekker in Nederland. Winnen we, dan worden we voor een jaar Bundesligaclub.

Moet je eens kijken wat er gebeurt.

Onze begroting schiet omhoog.

Jonge spelers blijven langer.

Voor topspelers van rond de dertig worden we een paar jaar eerder aantrekkelijk.

Onze TV-inkomsten schieten omhoog.

We worden interessanter voor grote sponsors.

 

Nee, meer dan middenmotor zullen we voorlopig niet worden in Duitsland. Op zijn best. Nou en? Misschien degraderen we zelfs. Spelen we een wedstrijd spelen tegen de kampioen van Nederland om ons plekkie daar te behouden.

Ik geloof in onze clubcultuur. Ik geloof dat we, als onze begroting langzaam op kunnen trekken tot het niveau van Schalke, Hamburg, Leverkusen, Stuttgart, met onze visie en spelsysteem kan maken om onder Bayern mee te doen voor een ereplek.

 

Ik weet het wel, dit plan geen schijn van kans. De UEFA zal het wel afschieten. Maar waarom? Als landenteams buitenlandse coaches mogen hebben, als de Eredivisie Belgische scheidsrechters mag hebben, als Europese topclubs sponsors uit Qatar en Azerbeidzjan mogen hebben, waarom zou er dan geen Nederlandse ploeg met een Duitse competitie mee mogen doen?

Ik durf te wedden dat ze in de Bundesliga maar wat graag Ajax erbij zouden willen hebben op het Open Duitse Kampioenschap. Schalke-Ajax, Hamburg-Ajax, Bayern-Ajax: het zijn geen onaantrekkelijke affiches, ook voor Duitsers niet.

Een Europese competitie komt er nooit.

Als we in de Eredivisie blijven spelen, blijven we hangen in een vicieuze cirkel. Daar helpt geen Cruijff of De Boer aan.

 

PS: O ja. Natuurlijk speel ik ook liever in de Premier League. Maar we moeten wel reëel blijven.

 

Beyonce – Opzij

‘Ze zwaait wat veel met haar blote billen, maar op zich: ik denk dat zij een goed rolmodel kan zijn voor een nieuwe generatie vrouwen.”
Wat veel.
Maar.
Op zich.
Kan zijn.
Denieuwe Opzij-hoofdredacteur Irene de Bel in DWDD over Beyonce.Wat een rare, seksistische, moralistische opmerking. Dat is hetzelfde als zeggen: “Ze draagt haar blousjes wat hooggesloten, maar op zich: ik denk dat zij een goed rolmodel kan zijn voor een nieuwe generatie vrouwen.”
Beste mevrouw De Bel, Beyonce IS een rolmodel. Onafhankelijk, mega-succesvol, vrouwelijk, en meer feministische power in haar linkerbil dan Opzij in haar hele bestaan.

Gaan we weer

Ja hoor, gaan we weer. Eerder deze week vier sterren voor Herman Koch in Parool en NRC, vanochtend doodleuk twee in Volkskrant. Elkaar volstrekt tegensprekende recensies in kwaliteitskranten.
Maar ja, Koch is met zijn laatste romans ook te succesvol (Het diner vertaald in 37 landen, meest succesvolle Nederlandse roman ever in de VS, New York Times bestsellerlist, wereldwijd 1,5 miljoen exx verkocht) om als literator door recensenten nog serieus te worden genomen.

Een waarheid als een koe is te lezen in de laatste zin van de recensie in Het Parool: “‘Geachte heer M.’ is niet alleen spannend, maar ook regelmatig goed voor een schaterlach. Het zal dus wel geen literatuur zijn.”

Nee, het zou wat worden zeg, als boeken er waren om plezier aan te beleven.

PS: Vrij Nederland is het dan weer eens met de Volkskrant. Recensie van Jeroen Vullings voelt wel minder op de man gespeeld. http://www.vn.nl/Artikel-Literatuur/Geachte-heer-M.-en-de-mythe-van-het-schrijverschap.htm.
Ik weet de oplossing. Zelf Geachte meneer M. lezen, veel lachen onderweg en zelf oordelen aan het eind.

Shame on you, Apple!

Mijn dochter Roos (10) kreeg mail van Apple. Of ze voor moederdag mama niet blij wilde maken met een iPad. Een iPad. Met de wervende tekst erbij: ‘In de ogen van je moeder kun jij niks fout doen. Laat zien dat ze gelijk heeft.’ En: ‘Geweldige cadeaus om haar een topdag te bezorgen.’ En o, ja: ‘Alle bestellingen boven de € 119 incl. BTW worden gratis bezorgd.’
En ik maar denken dat moeder- en vaderdag draaiden om aandacht, knutsels, knuffels, net iets langer mee helpen opruimen en een leuk klein cadeautje dat de kinderen zelf  betalen uit hun spaarpot (desnoods met een tikkeltje financiële hulp van de andere ouder). En daarmee laten zien aan mama hoeveel ze van haar houden.
Maar nee, Apple leert me dat je het goed doet als je mama een iPad geeft.
Shame on you, Apple!
Meevaller 1: Roos (10) attendeerde me zelf op de mail. Ze vond hem belachelijk.
Meevaller 2: het mailprogramma van Apple dacht zelf dat het onder junkmail viel. Gelukkig.

140507moederdag copy

 

Beste Willem,

Beste Willem,

Onlangs, op het JFK-gala, vertelde jij me dat je moeder boos op mij was. Je bracht me daarmee aardig in verlegenheid. Ik zat aan een tafel met mijn geliefde, tegenover me zaten twee modelletjes (althans, zo stelden ze zich voor en na de dames uitgebreid bekeken te hebben, vond ik geen reden hieraan te twijfelen), een soapsterretje waarvan ik de soap niet direct voor de geest kon halen en enkele Bekende Nederlanders die me evenmin bekend voorkwamen. Stuk voor stuk – met uitzondering van de Bekende Nederlanders – mooie vrouwen. Stond jij daar ineens aan mijn kop te zeiken. En zoals mijn vader, één van de grootste Tilburgse filosofen aller tijden, me heeft geleerd: ‘Op kou kun je je kleden, op gezeik aan je kop niet.’

Willem, je stond erbij alsof ik je bal had afgepakt en dat je die nu samen met je moeder kwam terughalen. Mijn eerste reactie was: wacht, als jij jouw moeder erbij haalt, haal ik mijn vader erbij, tot ik me besefte dat dit niet makkelijk zou worden, aangezien mijn vader vorig jaar is overleden.

Mijn tweede reactie was om je dan zelf maar een beuk te geven. Op een goed feest moet gevochten worden, zei mijn vader zaliger altijd. Maar ach, we hadden allebei ons mooie kostuum aan, dus ik dacht,: laat ik eens kijken of we het niet eens een keer met praten konden oplossen. Je legde me uit dat je moeder maar niet begreep waarom ik haar zoon iedere column weer belachelijk maakte. Nota bene in jouw eigen blad. Of ik soms een hekel aan jou had. Of jij me ooit wat had misdaan. Of ik daar niet mee op kon houden.

Daarom vroeg ik je het telefoonnummer van je moeder. Volwassen mensen onder elkaar. Afijn, ik heb haar gebeld en ben bij het mens op de koffie gegaan. Ik ben namelijk best goed met moeders. Had ik vroeger al. Zolang je maar altijd netjes U zegt en af en toe een bosje bloemen meeneemt (zou jij ook eens vaker moeten doen, Willem, zei ze nog, en dan niet zo eentje van de Shell): dan eten ze uit je hand, die moeders. Kan je ze rustig bellen dat hun dochter ’s avonds niet thuis komt, maar pas de ochtend erna om een uur of elf, twaalf, nadat ze ontbijt heeft gemaakt. Maar dat je haar wel netjes naar huis brengt.

Maar moeder Baars was goed link op me, omdat ik jou hier op deze plek iedere maand te kakken zet. En hoe leg je aan een moeder, aan Hans Kraaij, of aan een Chinees uit dat iets satire is. Ik weet nog wat mijn moeder heeft gedaan met de recensent van Het Parool die Komt een vrouw bij de dokter ooit de grond in boorde. Arme jongen is nooit meer teruggevonden. Terwijl ik meteen doorhad dat het natuurlijk satire was.

Toch had ik het met haar te doen. Ik heb nou eenmaal een zwak voor moeders die opkomen voor hun zoon, hoe onterecht dit ook moge zijn in de ogen van de buitenwereld. En ik begreep het ook wel, ze is gewoon blij dat je een vaste baan hebt. Ze vertelde me nog dat ze altijd bang was dat je op een sociale werkplaats zou eindigen, en dat doet een moederhart zeer.

Willem, ik zal het eerlijk zeggen: ze heeft mijn hart gestolen, die moeder van je! Ik kwam haast niet weg, man, toen de lucht eenmaal geklaard was. Kwam ze aanzetten met kokosmacronen en echte filterkoffie. Ik kwam haast niet weg, ik denk dat we zeker nog een kwartier hebben zitten beppen. O, en ze heeft je jongenskamer nog laten zien. Wat schattig, die poster van Backstreet Boys aan je muur!

Nee, als ik het zo allemaal overzie, snap ik eigenlijk best waarom jij pas op je veertigste het huis uit bent gegaan.

Ik heb je moeder beloofd voortaan met iets meer respect over je te schrijven.

Ik zal eens gaan denken waarover, in godsnaam.

Frankie Knuckles was house

‘I view house as disco’s revenge.’

Frankie Knuckles had als zeventienjarige jongen een verantwoordelijke taak in The Gallery, een gay disco in Manhattan. Hij was aangewezen om de uitstekende punch waar de club bekend om stond, nog iets uitstekender te maken. Door er acid tabletten in te gooien.

Het was 1971.

Tien jaar later. Disco was regeerde de clubs wereldwijd,  maar in club Warehouse in Chicago was men cooler en kritischer dan in de rest van de wereld. Er was disco die kon, en er was disco die absoluut niet kon. Waar wij in Nederland in die tijd iets gaaf of onwijs gaaf vonden –cool, vet en sick bestonden nog niet, althans niet in hun betekenis van nu, en hip was een lachwekkend woord dat door ouderen werd gebruikt –  heette een plaat die in Warehouse cool werd bevonden ‘house’. De club had een sound die zo eigen was, dat ze door anderen als Warehouse music werd aangeduid. Het was de hottest spot in town, met een uitstraling die in Nederland alleen RoXY ooit had. House werd een label dat Chicago kids plakten op alles wat cool was in hun ogen. Een discoplaat kon house zijn, een feest kon house zijn, een DJ kon house zijn. Maar bovenal was de muziek die door Frankie Knuckles in Warehouse in Chicago werd gedraaid, een undergroundachtige disco. In 1981 werd disco dood verklaard, en er werden amper meer up tempo disco platen door de grote labels uitgebracht. Frankie Knuckles nam zijn toevlucht in oudere platen, veel Philly sound disco uit de vroege jaren zeventig en begon zelf lange remixen van discoplaten te maken. En die te mixen op een manier die door andere disco-DJ’s niet werd gedaan. Harde breaks, eigen baslijnen en ritmes, Frankie Knuckles verbouwde discoplaten tot ze Warehouse waren.

Vorig jaar stond hij nog in BAUT tijdens het Amsterdam Dance Event een set te draaien met veel disco-invloeden, veel vocals en veel soul. Hij werd 59.

Frankie Knuckles was house voor er house was.

In NRC vandaag Eddy de Clercq brengt vandaag een prachtige ode van Eddy de Clerq aan de grondlegger van de muziek die het uitgaansleven van de laatste 25 jaar heeft bepaald.