Ik haat katten. Kutbeesten vind ik het. Ze stinken, ze zeiken overal, ze krabben, ze luisteren niet en ze hebben een hekel aan mannen. Ik zweer het u: katten haten mannen. Het tragische is dat ze dat zelf ook niet kunnen helpen, want het is aangeleerd gedrag.

Situatieschets. Boy meets girl. Verliefdzoenneukfijnsamen. Na een jaar wordt het minder. En nog minder. En het gaat uit. Einde liefdesnestje, meisje blijft alleen achter op tweehoog in grote stad. Eenzaam, verdriet, tissues. En dan komt er een kat, als een uit de klauw gelopen chocoladereep, een verdrietdemper voor vergane liefdes (althans, voor vrouwen, mannen gaan gewoon de kroeg in en zoeken een andere vrouw).

De kat weet niet wat hem overkomt. Lag hij tot voor kort samen met 24 broertjes en zusjes op een vierkante decimeter netjes te wachten tot een van de tepels van zijn moeder vrij was om even aan te lurken, nu wordt hij geknuffeld, krijgt blikjes zalmpasta en een plek in de slaapkamer. Ja, dan zou ik ook kapsones krijgen. En zo geschiedt. De verwende kat wordt een egocentrische etterbak. Het beest begint dictator-achtige trekjes te vertonen waar Idi Amin een puntje an kan zuigen. De kat rules da house.

Ooit ontmoette ik een vrouw die na haar scheiding aan de kat was gegaan. Het hele huis stonk naar kat en ik zag het al toen ik binnenkwam: dit werd oorlog. ‘Dit is Midas,’ zei het meisje, alsof ze verwachtte dat ik het beest des huizes nu de hand zou schudden en mezelf zou voorstellen. Midas mocht mij niet, zag mij als een indringer – en terecht, daar kwam ik ook voor, maar elke poging tot vozen op de bank werd door Midas tenietgedaan door zich tussen ons in te nestelen, gestimuleerd door een vertederd ‘Ah, kijk nou, wat lief, Midas is jaloers…’ van het baasje.

Mijn prille relatie met het baasje bereikte reeds op de ochtend na de eerste nacht een diepte- en eindpunt toen Midas, vanuit zijn (blijkbaar) vaste plek aan het voeteneinde van het tweepersoonsbed plots een bobbel in de vorm van mijn ochtenderectie onder het dekbed ontwaarde en volledig onverwacht de aanval inzette. Een IKEA-dekbed is niet bestand tegen de nagels van roofdieren. ‘Die typhuskat de slaapkamer uit of ik!’ schreeuwde ik. U raadt de afloop.

Niet lang na deze traumatische ervaring zag ik bij het schap met kattenvoer in de supermarkt twee dames druk met elkaar in conclaaf. ‘En wat zullen we voor het katje kopen?’ hoorde ik de een tegen de ander zeggen. ‘Wat dacht u van een hakbijl?’ mompelde ik.