fbpx

‘Zo,’ zegt mijn onvoorstelbaar erudiete uitgever Joost Nijsen, als we van de roltrap naar de boekenafdeling van de Bijenkorf stappen. ‘We lopen eerst even langs de chef van de boekenafdeling. Eeven hadden schudden, dat kan nooit kwaad.’

Ik voel me als een koe die wordt rondgeleid in het abattoir. Het zijn de Bijenkorf Schrijversdagen. Er komen meer dan dertig schrijvers vanmiddag. Ik ben hier eerder geweest.           De Bijenkorf is op deze dagen een soort Albert Cuypmarkt waar de boeken als vissen worden opgepakt, betast, bekeken en vervolgens weer teruggelegd. ‘Hoe laat mag ik vanmiddag weer naar huis, Joost?’

‘Niet zeuren. Vijf uur. O, en de redacteur van De Wereld Draait Door komt waarschijnlijk nog even langs. Als je haar ziet moet je even een paar gekke dingen roepen.’

‘Zoals?’

‘Verzin maar wat. Als je maar geschifter lijkt dan Joost Zwagerman of Ali B. Zeg maar dat je het met Heleen van Royen hebt gedaan. Of met Hanna Bervoets, maakt niet uit.’

‘Mag het ook Susan Smit zijn?’

‘Nee, het moet wel geloofwaardig blijven, Kluun.’

We komen aan bij een grote tafel waarop mijn boeken in optimistisch hoge stapels zijn neergelegd.

Een stel van middelbare leeftijd houdt de pas in als ze mij achter de tafel zien plaatsnemen.

De vrouw kijkt zuinig. Een type dat zwemt met droog haar. Haar man draagt een rood Gaastra jack. Hij houdt zich half schuil achter haar. Mijn uitgever spreekt het stel direct aan. ‘Mevrouw, meneer, misschien interesse in een gesigneerd boek van deze schrijver?’

Ik krimp ineen als een makreel in het zich van het vissersnet. De man draait zijn hoofd schielijk weg. Zjn blik blijft hangen op Susan Smit, die aan de tafel naast me gebukt een boek aan het signeren is. De blik van de vrouw richt zich van Nijsen naar mij. Ze kijkt me ongegeneerd lang aan. Dan richt ze zich weer tot mijn uitgever. ‘Ik ken hem,’ zegt ze tegen Nijsen. ‘Van tv.’

‘ik zat vorige week op de eerste rij van het oranje tribune vak bij Ik Hou Van Holland…’probeer ik mezelf een houding te geven.

Nijsen legt zijn hand op mijn schouder. ‘Dit is nu de schrijver van Komt een Vrouw Bij De Dokter…Kluun.’

Het gezicht van de vrouw verstrakt. Ze draait haar hoofd weer naar mij, kijkt me indringend aan en buigt zich iets voorover. In de Bastille is dit het teken dat er zo meteen getongzoend gaat worden, maar ik hoop met heel mijn hart dat me dat nu bespaard blijft. Een halve seconde is het stil. Dan buigt ze haar hoofd nog iets verder in de richting van mijn gezicht. ‘Bah,’ bijt ze me toe, draait zich om en loopt samen met de man in het zeiljack weg van de tafel.

Mijn zelfvertrouwen zakt tot het peil waarop het consumentenvertrouwen Nederland zich bevindt.

‘Joost, ik wil naar huis…’

‘Naar huis?! Wie denk je dat je bent, Tommy Wieringa of zo? Denk je dat ik je boeken heb uitgegeven omdat je zo goed schrijft? Het is dat die kop van jou, om voor mij verder onverklaarbare redenen het redelijk doet bij de vrouwen, anders schreef ik dat oncologische snikkelproza van jou zelf.’

‘Maar Joost, ik…’

‘Houd je mui, jank,’ sist mijn uitgever en knikt naar de vrouw die gezien haar leeftijd eigenlijk de boeken van Jan Siebelink zou moeten lezen, maar toch een exemplaar van Klunen van de stapel pakt. Ze noemt haar naam en begint te vertellen dat ze Komt een Vrouw Bij De Dokter heeft gelezen. ‘Jongen toch, ik heb toch zo gehuild,’ zegt ze.

‘Ach, je ziet er niks meer van, hoor,’ draai ik mijn voorgeprogrammeerde antwoord af.

Ze begint te vertellen dat ze vijftien jaar geleden ook een knobbeltje i haar borst had en dat ze er gelukkig op tijd bij was, maar dat het haar wel een borst en dat en dat en dat en ik krijg flashbacks van de lessen Duits van meneer Duncker op het heao op maandagmiddag, het achtste en negende uur, waar ik de minuten aftelde, nog vierendertig, nog vijfendertig, nog zesendertig en hoe lang nog tot het hier vijf uur is en de vrouw blijft maar doorpraten dat haar moeder ook al was gestorven aan borstkanker en haar oma ook en dat er in die tijd nog geen borstreconstructies waren en fuck, ik ben haar naam vergeten. ‘Hoe schrijf ik uw voornaam eigenlijk?’ vraag ik poeslief.

De verhalen van de vrouw stoppen alsof ik zojuist heb voorgesteld om haar andere borst ook te amputeren.

‘Hoe je mij voornaam spelt?’

‘Eh…ja… ik vind het altijd zo slordig als ik een naam verkeerd spel.’

‘Ik denk dat je Ans niet op zoveel verschillende manieren kunt spellen. Goedemiddag, Kluun.’

Ze beent weg. ‘Kwaad,’ zeg ik tegen mijn uitgever.

‘Opletten,’ blaft deze. ‘Handel.’

Een oudere vrouw loopt langs. Ze is al op de leeftijd dat je dreigbrieven van de DELA begint te krijgen en meer kans maakt om bekenden tegen te komen op het kerkhof dan in de aula van het bejaardencentrum.  ‘Spreek haar aan,’ bromt Joost. Met de moed der dwazen probeer ik haar aandacht te trekken. De vrouw kijkt naar de boeken als een Eskimo naar een tosti-ijzer.

‘Dat zijn boeken, mevrouw,’ help ik haar op weg.

Ze kijkt me niet erg nozel aan.

‘Omdat u anders misschien denkt dat het haringen zijn.’

De vrouw blijft me dommig aankijken. De blik staat haar vrij natuurlijk.

Ik krijg een por van mijn uitgever.

‘Zal ik er eentje voor u signe… eh… tekenen?’

‘Tekenen?’

Ah. Het kan praten.

‘Mijn handtekening erin zetten.’

‘Waarom?’

‘Omdat ik het heb geschreven en dat vinden sommige mensen leuk, een handtekening van de schrijver in hun boek.’

Ze pakt hzonder te kijken een boek van de stapel en overhandigt het me, met een voorzichtigheid waarmee je een onbekend dier iets eetbaars voorhoudt.’

‘Moet u niet weten welk boek u w…’

Weer een por van Nijsen. Objection overruled. Ik zet mijn handtekening en schrijf er ‘voor’ boven.

Geen krimp.

‘Voor,’ probeer ik.

‘Voor wat,’ kaatst ze terug.

‘Voor wie het boek is?’

‘O.’ Ze haalt haar schouders op. ‘Voor mij.’

‘En wat is uw naam, mevrouw?’

‘Van Helvoirt.’

‘En heeft u ook een voornaam of is die geheim?’

‘K.’

‘K?’

‘Karen…’

‘Alsjeblieft, Karen. Veel leesplezier.’

Karen van Helvoirt schuifelt met het boek uit zicht. Ik prijs de Heer dat ik op deze verdieping het diefstalalarm bij de uitgang niet kan horen. Nog zeventwintig minuten, zie ik op mijn horloge. Ik verlang terug naar de lessen Duits van meneer Duncker.