Geplaatst op

Ontmoeting talkshow Johnny De Mol

Gisteren zat ik in de uitzending van HLF8, de talkshow van Johnny de Mol, aan tafel met een dame die een diepe indruk op me maakte. Loes Steenhuis Hoepelman. Ze kwam vorige week in het nieuws, toen ze besloot eigenhandig de Urker jongens te bellen, die een filmpje op internet hadden gezet waarin ze, gekleed in nazi-uniformen, een lollig toneelstukje meenden op te voeren waarin ze de Jodenvervolging koppelden aan de druk die huns inziens op niet-gevaccineerden wordt uitgeoefend.

Mevrouw Steenhuis Hoepelman toog naar Urk en praatte met de jongens. Ze kwamen wat schuchter en ginnegappend binnen, vertelde ze. ‘Wel met een grote bos bloemen’. Na een uur lang beschaamd naar de verhalen van Loes te hebben geluisterd, erkenden de jongens dat het misschien toch niet zo’n heel goed idee was geweest, die uniformen op internet te kopen en daarmee door de straten van Urk te paraderen. De jongens excuseerden zich voor hun dommigheid, maar dat vond ze te makkelijk, vertelde ze in de uitzending.

‘Ik wil dat jullie een keer meegaan naar Westerbork, voor een rondleiding,’

‘Westerbork?’ zei een van de jongens, ‘maar dat ligt helemaal in Duitsland.’

‘Nee hoor,’ antwoordde mevrouw Steenhuis Hoepelman, ‘dat ligt echt in Nederland. Ik heb er gewoond.’

Na de show raakte ik in gesprek met haar. Ze vertelde dat ze, samen met tweehonderd andere nog levende mensen die concentratiekamp Westerbork hebben meegemaakt, regelmatig het land intrekt om colleges te geven op basisscholen en middelbare scholen. Scholen waar veel kinderen van Marokkaanse en Turkse ouders zitten vindt ze het leukst. ‘Die zijn het beleefdst tegen me. Al krijg ik wel vaak de vraag van hen of ik rijk ben. Dat schijnt zo te zijn, als je joods bent.’

Ik vroeg hoe ze in haar colleges een koppeling maakte naar de tijd van nu, waar de kloof tussen verschillende groepen steeds groter wordt. ‘Ik begin dan over pesten,’ zei Loes. ‘Pesten van groepen of individuen is altijd het begin van ellende in de geschiedenis. Of ze daar misschien eens over na willen denken, als ik weg ben.’

Was getekend, Loes Steenhuis Hoepelman, 80 jaar.

Geplaatst op

Familieopstelling is jarig!

kluun boeken

‘Zo,’ zegt mijn onvoorstelbaar erudiete uitgever Joost Nijsen, als we van de roltrap naar de boekenafdeling van de Bijenkorf stappen. ‘We lopen eerst even langs de chef van de boekenafdeling. Eeven hadden schudden, dat kan nooit kwaad.’

Ik voel me als een koe die wordt rondgeleid in het abattoir. Het zijn de Bijenkorf Schrijversdagen. Er komen meer dan dertig schrijvers vanmiddag. Ik ben hier eerder geweest.           De Bijenkorf is op deze dagen een soort Albert Cuypmarkt waar de boeken als vissen worden opgepakt, betast, bekeken en vervolgens weer teruggelegd. ‘Hoe laat mag ik vanmiddag weer naar huis, Joost?’

‘Niet zeuren. Vijf uur. O, en de redacteur van De Wereld Draait Door komt waarschijnlijk nog even langs. Als je haar ziet moet je even een paar gekke dingen roepen.’

‘Zoals?’

‘Verzin maar wat. Als je maar geschifter lijkt dan Joost Zwagerman of Ali B. Zeg maar dat je het met Heleen van Royen hebt gedaan. Of met Hanna Bervoets, maakt niet uit.’

‘Mag het ook Susan Smit zijn?’

‘Nee, het moet wel geloofwaardig blijven, Kluun.’

We komen aan bij een grote tafel waarop mijn boeken in optimistisch hoge stapels zijn neergelegd.

Een stel van middelbare leeftijd houdt de pas in als ze mij achter de tafel zien plaatsnemen.

De vrouw kijkt zuinig. Een type dat zwemt met droog haar. Haar man draagt een rood Gaastra jack. Hij houdt zich half schuil achter haar. Mijn uitgever spreekt het stel direct aan. ‘Mevrouw, meneer, misschien interesse in een gesigneerd boek van deze schrijver?’

Ik krimp ineen als een makreel in het zich van het vissersnet. De man draait zijn hoofd schielijk weg. Zjn blik blijft hangen op Susan Smit, die aan de tafel naast me gebukt een boek aan het signeren is. De blik van de vrouw richt zich van Nijsen naar mij. Ze kijkt me ongegeneerd lang aan. Dan richt ze zich weer tot mijn uitgever. ‘Ik ken hem,’ zegt ze tegen Nijsen. ‘Van tv.’

‘ik zat vorige week op de eerste rij van het oranje tribune vak bij Ik Hou Van Holland…’probeer ik mezelf een houding te geven.

Nijsen legt zijn hand op mijn schouder. ‘Dit is nu de schrijver van Komt een Vrouw Bij De Dokter…Kluun.’

Het gezicht van de vrouw verstrakt. Ze draait haar hoofd weer naar mij, kijkt me indringend aan en buigt zich iets voorover. In de Bastille is dit het teken dat er zo meteen getongzoend gaat worden, maar ik hoop met heel mijn hart dat me dat nu bespaard blijft. Een halve seconde is het stil. Dan buigt ze haar hoofd nog iets verder in de richting van mijn gezicht. ‘Bah,’ bijt ze me toe, draait zich om en loopt samen met de man in het zeiljack weg van de tafel.

Mijn zelfvertrouwen zakt tot het peil waarop het consumentenvertrouwen Nederland zich bevindt.

‘Joost, ik wil naar huis…’

‘Naar huis?! Wie denk je dat je bent, Tommy Wieringa of zo? Denk je dat ik je boeken heb uitgegeven omdat je zo goed schrijft? Het is dat die kop van jou, om voor mij verder onverklaarbare redenen het redelijk doet bij de vrouwen, anders schreef ik dat oncologische snikkelproza van jou zelf.’

‘Maar Joost, ik…’

‘Houd je mui, jank,’ sist mijn uitgever en knikt naar de vrouw die gezien haar leeftijd eigenlijk de boeken van Jan Siebelink zou moeten lezen, maar toch een exemplaar van Klunen van de stapel pakt. Ze noemt haar naam en begint te vertellen dat ze Komt een Vrouw Bij De Dokter heeft gelezen. ‘Jongen toch, ik heb toch zo gehuild,’ zegt ze.

‘Ach, je ziet er niks meer van, hoor,’ draai ik mijn voorgeprogrammeerde antwoord af.

Ze begint te vertellen dat ze vijftien jaar geleden ook een knobbeltje i haar borst had en dat ze er gelukkig op tijd bij was, maar dat het haar wel een borst en dat en dat en dat en ik krijg flashbacks van de lessen Duits van meneer Duncker op het heao op maandagmiddag, het achtste en negende uur, waar ik de minuten aftelde, nog vierendertig, nog vijfendertig, nog zesendertig en hoe lang nog tot het hier vijf uur is en de vrouw blijft maar doorpraten dat haar moeder ook al was gestorven aan borstkanker en haar oma ook en dat er in die tijd nog geen borstreconstructies waren en fuck, ik ben haar naam vergeten. ‘Hoe schrijf ik uw voornaam eigenlijk?’ vraag ik poeslief.

De verhalen van de vrouw stoppen alsof ik zojuist heb voorgesteld om haar andere borst ook te amputeren.

‘Hoe je mij voornaam spelt?’

‘Eh…ja… ik vind het altijd zo slordig als ik een naam verkeerd spel.’

‘Ik denk dat je Ans niet op zoveel verschillende manieren kunt spellen. Goedemiddag, Kluun.’

Ze beent weg. ‘Kwaad,’ zeg ik tegen mijn uitgever.

‘Opletten,’ blaft deze. ‘Handel.’

Een oudere vrouw loopt langs. Ze is al op de leeftijd dat je dreigbrieven van de DELA begint te krijgen en meer kans maakt om bekenden tegen te komen op het kerkhof dan in de aula van het bejaardencentrum.  ‘Spreek haar aan,’ bromt Joost. Met de moed der dwazen probeer ik haar aandacht te trekken. De vrouw kijkt naar de boeken als een Eskimo naar een tosti-ijzer.

‘Dat zijn boeken, mevrouw,’ help ik haar op weg.

Ze kijkt me niet erg nozel aan.

‘Omdat u anders misschien denkt dat het haringen zijn.’

De vrouw blijft me dommig aankijken. De blik staat haar vrij natuurlijk.

Ik krijg een por van mijn uitgever.

‘Zal ik er eentje voor u signe… eh… tekenen?’

‘Tekenen?’

Ah. Het kan praten.

‘Mijn handtekening erin zetten.’

‘Waarom?’

‘Omdat ik het heb geschreven en dat vinden sommige mensen leuk, een handtekening van de schrijver in hun boek.’

Ze pakt hzonder te kijken een boek van de stapel en overhandigt het me, met een voorzichtigheid waarmee je een onbekend dier iets eetbaars voorhoudt.’

‘Moet u niet weten welk boek u w…’

Weer een por van Nijsen. Objection overruled. Ik zet mijn handtekening en schrijf er ‘voor’ boven.

Geen krimp.

‘Voor,’ probeer ik.

‘Voor wat,’ kaatst ze terug.

‘Voor wie het boek is?’

‘O.’ Ze haalt haar schouders op. ‘Voor mij.’

‘En wat is uw naam, mevrouw?’

‘Van Helvoirt.’

‘En heeft u ook een voornaam of is die geheim?’

‘K.’

‘K?’

‘Karen…’

‘Alsjeblieft, Karen. Veel leesplezier.’

Karen van Helvoirt schuifelt met het boek uit zicht. Ik prijs de Heer dat ik op deze verdieping het diefstalalarm bij de uitgang niet kan horen. Nog zeventwintig minuten, zie ik op mijn horloge. Ik verlang terug naar de lessen Duits van meneer Duncker.

Geplaatst op

Unmute Us

Voor mij als schrijver veranderde er niets het afgelopen halfjaar. Laptops werden niet verboden, schrijven werd niet aan banden gelegd.

Maar ik ben niet alleen schrijver, ik ben ook vader en stiefvader. Ik heb drie opgroeiende dochters, mijn vrouw heeft een zoon en een dochter. where to buy ivermectin for humans in philippines Ze zijn allemaal gek van muziek. Lola, dertien, huilde hete tranen toen ze hoorde dat Billie Eilish niet naar het Ziggodome zou komen. Roos, zeventien, moest Appelpop, haar leukste dag van 2019, voor het tweede jaar op rij missen. Eva, 23, zag twee Lowlands, twee Oerols, tientallen concerten in Paradiso en de Melkweg en honderden dansavondjes in Garage Noord, Radion, De School, Tolhuis en Elementenstraat Down The Rabbit Hole gaan. ‘Pap,’ zei ze, ‘straks ben ik vijfentwintig en heb ik de mooiste jaren van mijn leven thuis gezeten, festivalloos en dansarm.’ Eise, de zoon van mijn vriendin is zestien en helemaal leip van Nederlandse hiphop. Hij kent alle teksten, alle beats, alle video’s op YouTube. ivermectin saudi arabia Maar hij heeft nog nooit een van zijn helden zien.

Ik ben ook collega van al die dj’s, comedians, zangers, muzikanten en artiesten die, in tegenstelling tot mij, al anderhalf jaar lang hun vak niet mogen uitvoeren, hun passie niet mogen delen.

Mijn held Bruce Springsteen zong in 1978:
for the ones who have a notion
a notion deep inside
that it ain’t no sin
to be glad your alive

En zo is het. We hoeven ons niet te schamen voor onze Levenslust. Het leven is het waard om te vieren, samen, op de dansvloer, op de concertvloer, op het festivalterrein, op het podium. revolution ivermectin Het leven moet weer open, niet over een jaar, niet over een paar maanden, niet over een paar weken, maar nu, vanaf 1 september.

Geplaatst op

Zweven is Leven

Nergens in het heelal wordt per avond meer rosé gedronken dan op de Parade in Amsterdam. Het festival wordt ieder jaar gehouden in het Martin Luther Kingpark, pal naast de Amstel, op tien minuten jog-afstand van mijn woonark. Geen enkele Amsterdammer komt de overige vijftig weken van het jaar in dat park, niemand weet met zekerheid te stellen of het dan überhaupt wel bestaat.

Als de Parade weer in de stad is, loopt de hele grootstedelijke meute elkaar als een kudde schapen achterna om zich er twee weken lang vol te gooien. Correctie: Rotterdammers, Hagenezen en Utrechters pakken nog weleens een voorstellinkje, maar de Amsterdammers komen hier voornamelijk om aan de met een fontein versierde bar te hangen. Jammer van al dat theater eromheen, verzuchten ze als er weer een of andere toneelspeler door je gesprek loopt te blèren. Want dat doen ze daar namelijk in groten getale. Als een stel marktkooplui roepen de artiesten door hun microfoons om het voorbijgaande publiek hun tent in te lokken. Eenmaal binnen neemt men plaats om een gammel houten bankje waar je schouder aan schouders zit met een stuk of honderd andere van het zweet gutsende mensen die zich wanhopig koelte toe wuiven met het programmaboekje. Doorgaans evenaart de temperatuur die van uw huurauto op Ibiza na een dagje stand, wanneer u zo dom was om deze niet in de schaduw te parkeren.

Nee, dan is het aan de bar beter toeven. U trekt een leuke blouse, knoopjes open tot aan de navel zodat het aanwezige borsthaar of decolleté duidelijk zichtbaar is. Gezien en gezien worden: dáár gaat het om tijdens de Parade. Menig BN’ er kan hier in het echt worden gespot. Zogenaamd nonchalant in de rij staan voor een peperduur broodje of dito plastic bekertje bier of rosé. Ook kan men hier reikhalzend uitkijken naar het prototype Amsterdamse. Hippe alternatief en niet armlastige vrouw want zoals gezegd betaal je je daar helemaal blauw. Na een avondje drinken op de Parade kan het zomaar ineens zijn dat u een tweede of derde hypotheek moet nemen en dan bent u nog niet eens naar een voorstelling geweest.

Ik ga niet naar de Parade voor de voorstellingen, de BN’ers, noch voor de rosé, maar voor de zweefmolen. Zweven is leven staat er op het bord bij de zweefmolen. Sinds jaar en dag zijn hier twee mannen aan het werk. De ene is met zijn blonde krullen een kruising tussen de Gordon van 1985 (half schaap, half mens) en Doc uit Back To The Future. Hij heeft een lijf dat je normaal alleen ziet op de Olympische Spelen, bij het Grieks-Romeinse worstelen. De andere heeft stekeltjeshaar en de blik van Vinnie Jones (de acteur en ex-voetballer die ooit een video uitbracht waarop hij met zichtbaar genoegen de allersmerigste overtredingen maakt).
De twee mannen werken zich de hele zomer het zweet tussen de billen, door om de paar seconden de zweefmolenstoeltjes een enorme zwiep te geven. Het gillen der inzittenden is tot op de Dam te horen. De mannen maken op verzoek foto’s. Niks geen IPhone, gewoon een ouderwetste polaroid. Ik heb er nu achttien. Op de eerste, van achttien jaar geleden, sta ik met mijn oudste dochter, toen zes jaar oud. In de loop der jaren zijn er op de foto’s nog twee geweldige dochters bijgekomen, alle drie kijkend met gezichten die pure kinderpret uitstralen. Een ritje kost een euro vijftig. We zouden in Nederland miljoenen kunnen besparen door alle therapeuten en maatschappelijk werkers te vervangen door zweefmolenzwiepers.

Wat had ik niet voor gegeven om deze week weer zo’n polaroid aan mijn collectie toe te voegen. Ik verlang er nu zelfs naar om met klotsende oksels in een stampvolle tent naar een artistiek verantwoorde theatervoorstelling te kijken. Met of zonder rosé. Zoals u weet gaat ook de Parade in Amsterdam dit jaar niet door. Het Martin Luther King Park is akelig stil. Geen geklater van een bar met fontein, geen opgewonden geroezemoes van in de rij staande publiek en geen gegil van de zweefmolen. We gedogen het -zucht -nog één jaar, geacht kabinet, dat er hier niet gezweefd en geroseed mag worden. Maar volgend jaar wil ik weer zweven met mijn dochters, boven de hoofden van een bomvol Martin Luther Kingpark. Al moet ik er zes vaccinaties voor laten inspuiten.

Geplaatst op

Quiet 500

Tijdens mijn studie heb ik altijd op zaterdag
en op doordeweekse avonden gewerkt. Na mijn studie ben ik meteen gaan werken. Mijn carrière ging geswind. Van assistent sales promotion was ik binnen enkele jaren European director Customer service bij Time Warner. Ik verdiende er het driedubbele van het modale salaris dat mijn moeder me had voorgerekend.
En ik was doodongelukkig.
Ik nam ontslag en ging aan de slag bij een
reclamebureau. Drie jaar later begon ik mijn eigen bureau, samen met een van mijn beste vrienden. Intussen had ik Judith ontmoet, op een mooie mei-avond tijdens het Jazz-festival in Breda. Ik was op slag verliefd, binnen een jaar woonden we samen. We waren
gelukkig, verdienden geld als water, bezochten de nieuwste hippe restaurants in dezelfde maand dat ze hun deuren hadden geopend. We trouwden, gingen op huwelijksreis naar de muzieksteden Nashville, Memphis, Baton Rouge en New Orleans, we kregen een wolk van een dochter.


Nooit kende ik armoede, het leven en de
liefde had me altijd toegelacht. Ik was ervan overtuigd dat het leven maakbaar was. Als je maar hard wilde werken. Als je maar durfde, als je maar durfde springen als je verliefd was. ‘Als iets me niet bevalt in mijn leven, dan verander ik het,’ was mijn levensmotto.

Geplaatst op

Mick & Alain

Beste Willem,

 

Hoe is het met jou en de jouwen? Ben jij nog een beetje gezond? Weer een paar kilo bijgekomen, jou kennende? Ach, wat doet het er nog toe, op een bepaald moment kom je op een gewicht dat elke kilo erbij nauwelijks meer opvalt. De wet van het remmende overgewicht. Maar heb je de Corona een beetje weten te ontlopen of was je ook het haasje? Ik wel, in november. Veel last had ik niet, beetje hoesten en wat koorts, een flinke verkoudheid. Sterker nog: ik vond het wel knus, een week lang quarantaine samen met mijn vriendin, beetje bankhangen en bingewatchen zonder pubers die je lastig vallen omdat ze nodig iets willen eten. Ik heb geen klagen. Een schrijver ziet sowieso nauwelijks mensen.

 

Maar mijn drie dochters, en alle andere jongeren, zagen hun leven meer dan een jaar on hold gezet voor een ziekte waar ze zelf met twee keer kuchen en een keer niezen al weer vanaf zijn. Laat niemand onze jongeren aso’s noemen, Willem, ik dump ze zonder pardon in de Amstel. Ik stel me wel eens voor dat er over een jaar of dertig, veertig een zaal vol studenten Medicijnen op de Uva college krijgen en terugblikken op deze tijd. ‘Ze raakten in 2020 volledig in paniek, toen het virus hele ziekenhuizen en mortuaria in Italië en Spanje deed overspoelen en weet je wat ze besloten als maatregelen? Massale lockdowns. Niemand naar buiten. Niet samen sporten. Geen buitenlucht. Binnen blijven. Blijf thuis! stond er op borden boven snelwegen, Ga niet naar buiten! was de boodschap van onze leiders en hun adviseurs op persconferenties.’ De studenten zullen gieren van het lachen, elkaar hoofdschuddend aankijken en hoofdschuddend over zoveel medisch onbenul naar onze generaties kijken zoals wij naar de schilderijen in het Rijksmuseum waarop dokters mensen met aderlaten en schedel lichten van hun kwalen dachten te genezen.

 

Willem, ik ben me de laatste maanden van de lockdown steeds meer gaan ergeren aan de rigide maatregelen, de pedante zelfgenoegzaamheid en het über-stellige geloof in het eigen gelijk van OMT, kabinet en RIVM. Het botte wegzetten van hele groepen jongeren als tuig, volwassen als ‘aso’s’ betitelen omdat ze zich even niet helemaal aan het woud van opgelegde Corona-regels houden, schijtziek word ik ervan. Na een jaar zwalkend Corona-beleid zou een beetje bescheidenheid meer op zijn plaats zijn, maar het lijkt wel of er twee werelden waren ontstaan. Eentje van de rekenmodellen, grafieken, voorspellingen en cijfers en R-getallen in Den Haag en de andere waarin mensen allemaal op hun manier de draad oppakten om weer iets van het leven te maken. Toch maar oma gaan opzoeken, al is het met drie jassen aan buiten in de tuin. Gewoon voetballen op het plein met een cluppie vrienden. Samen een flesje wijn op het gras in de zon. Voetbal kijken met een paar maten.

 

Van ellende heb ik dit voorjaar maar een bar in huis aangeschaft. Je moest wat. Een vriend van me met wie ik samen een beetje handel in sixties en seventies designspul, vond ’m. Het is een thuisbar van een van de merken die jouw magazine sponsoren, Willem, Chivas Regal. Die plaatsten dit soort barren in de vroege jaren zeventig bij celebrities thuis. De mijne stond in het huis van Alain Delon. Jonge lezertjes hebben geen idee wie dat nou weer is, maar dit was de Brad Pitt, de Leonardo diCaprio, de Pieter Omtzigt van de sixties. Alain deed het onder andere met Dalida, Romy Schneider, Rosalie van Breemen en Brigitte Bardot. Het idee, Willem, dat ik thuis een whisky drink aan de bar waarop Delon en BB elkaar misschien wel van jetje hebben liggen geven, stemde me een beetje mild in tijden dat de wijze heren van RIVM en kabinet een bezoek aan een terras of restaurant als even gevaarlijk voor de volksgezondheid beschouwt als het hergebruik van een injectienaald van een junk in het AIDS-tijdperk.

 

Maar gelukkig mogen we nu van het RIVM weer gewoon de kroeg in. Tot 24u. En daarna ga ik met mijn geliefde en mijn vrienden gewoon thuis aan de bar verder.

Geplaatst op

Appeltje schillen met Kluun

Het is een zonnige zondagmiddag als ik gewapend met appel, een mesje en een Saar bij de
woonboot aan de Amstel aanbel. Ik, Stella Bergsma, schrijver, feministe en powervrouw heb namelijk een appeltje te schillen met bewoner Raymond van de Klundert. Beter bekend als Kluun, 56 jaar, schrijver, vader en schuinsmarcheerder.

 

Ik was er al eens eerder geweest maar er is flink verbouwd zie ik. ‘Morgen wordt dit okergeel!’ roept kluun vrolijk, ergens richting een muur wijzend. Allemaal leuk en aardig maar mijn dorstige oogjes vallen meteen op een gloednieuw, stijlvol tweepersoonsbarretje in de hoek van de boot. ‘Mooi hè?’ glundert de heer van de Klundert. ‘Komt nog uit het huis van Alain Delon.  Hij gebaart me om plaats te nemen op de met zwart leer beklede barkruk en gaat zelf aan de andere kant van het glimmende blad zitten. ‘Nee écht!’ beantwoordt hij mijn ongelovige blik. ‘Kun je je voorstellen dat Brigitte Bardot heeft gezeten waar jij nu zit? Hier kijk…’ Ik krijg wat oude foto’s in mijn hand geduwd van de Franse acteur en BB en even droom ik weg. Maar ik moet alert blijven. Me niet laten inpakken door deze charmante man met zijn praatjes. Dat deden al genoeg vrouwen. Ik kom hier om kritische vragen te stellen. Dus als hij me iets te drinken aanbiedt, vraag ik om een colaatje, hoe wijnwillend ik ook ben. Ik zet de recorder op mijn telefoon op scherp, tuig mijn strengste blik op en kondig aan dat ik hem aan de tand ga voelen. ‘Vertel,’ zegt hij geamuseerd terwijl hij me mijn frisje aangeeft. Ik vond een column van je, gericht aan Linda de Mol toen ze 50 werd waarin je schrijft: Linda, vijftig is het nieuwe veertig. Waarbij aangemerkt dat ik één groot voordeel heb ten opzichte van jou. Ik ben een man. ‘Ik mag graag een beetje pesten. Jij toch ook? Mensen zijn tegenwoordig echt te fijngevoelig hoor, er moeten nog wel grappen gemaakt kunnen worden. Volgens mij ben je dat gewoon met me eens, Bergsma!’ Vooruit. Maar pasgeleden schreef je een stuk in Saar waarin je zegt dat je 50+ dames nog heel lekker kan vinden, maar dan zeg je opeens: natuurlijk kijk ik liever naar een jongere vrouw. ‘Zei ik dat? Waar? Ik moet even de context weten.’ Hij bladert in het blad dat ik hem aangeef. ‘Nou ja, het is niet dat een jonge vrouw niet mooi is om te zien. Maar als ik heel eerlijk ben, val ik er niet zo op. De vrouwen in mijn leven zijn ook altijd ongeveer van mijn eigen leeftijd geweest. Kijk naar mijn vriendin Anne, die is net 50 geworden. Eindelijk Saar-gerechtigd!’


In interviews komt het een aantal keer terug dat je niet zo’n trieste man wil worden die nog heel graag hip wil zijn en jonge chicks wil versieren. Ja, op een bepaalde leeftijd vind ik dat sneu worden, net als T-shirts met opdruk of hele rare gympen, ofzo.’ Ik kijk naar zijn shirt waar ‘Gentle Man ‘ op staat maar besluit niets te zeggen. Maar doe je het dan alleen maar voor de buitenwereld? Want nu klinkt het net of je eigenlijk jonge vrouwen zou willen versieren, maar het voor je imago chiquer vindt om met een dame van je eigen leeftijd te gaan. ‘Ik ben al twee jaar een gelukkige gebonden man: ik wil inmiddels eigenlijk überhaupt niet meer bekend staan als versierder. Ik ben sowieso veranderd. Minder streberig geworden’. Maar kijk je nou wel of niet eigenlijk liever naar jongere vrouwen dan naar oudere? ‘Je, blijft ermee bezig, he? Ik heb jongere vrouwen oprecht nooit zo interessant gevonden. Ik kan hun schoonheid wel waarderen…’ Hij lacht hartelijk. ‘Maar serieus, een liefdespartner moet voor mij karakter hebben, inhoud. Een uitdaging zijn, me ook dingen kunnen leren. Anne is psychologe en was eigenlijk mijn juf toen ik een opleiding tot coach volgde. Ik vond haar meteen een heel indrukwekkende vrouw. Ze heeft me zoveel bijgebracht wat ik niet wist. Dat is pas écht sexy.’ Heel politiek correct geantwoord, maar je moet toch bij me op het macho-matje. Even die seksismegraad meten. Vind je bijvoorbeeld niet dat je de vrouwen in je boeken ook gebruikt? Dat het pratende props zijn die je alleen opvoert ter meerdere glorie van jou of eigenlijk van je alter ego Stijn?  ‘Maar kom nou, Bergsma. Dit slaat echt he-le-maal nergens op. Dit is iets wat alle schrijvers doen. We gebruiken allemaal partners, exen, kinderen, ouders, vrienden. Je hebt zelf een geweldig boek geschreven waarin de meeste kerels ook alleen maar zo’n beetje rond figureren. Niemand is veilig bij een schrijver. En zo hoort dat ook.’ Ja, je hebt een punt. Beetje flauw van mij ook om jou aan te rekenen wat je hoofdpersoon doet. Dat vind ik zelf ook superirritant. ‘Nou ja, ik geloof echt niet dat ik nou zo seksistisch ben. Ik ben juist dol op geëmancipeerde vrouwen. Ik heb ook echt totaal geen sletvrees, zo voed ik mijn dochters ook op. Ik wil dat ze zich vrij voelen. Ik zeg altijd: laat je niet overhalen om iets te doen wat je niet wilt doen, maar laat je er ook niet vanaf brengen als je iets wél wilt doen.’ Ja, ik ben ook echt voorstander van meer nadruk op wat vrouwen wél willen. Heel goed, Kluun. Eigenlijk ben je een geweldige man!  Ik kan wel naar huis gaan met mijn kritische vragen. ‘Ach, ik ben gewend dat men een verkeerd beeld van me heeft en cultiveer dat overigens zelf natuurlijk ook wel een beetje.’ Ik moet zeggen dat ik ook vooroordelen over je had. Ik dacht dat je zo’n oppervlakkig reclamemannetje was die toevallig iets diepgaands meemaakt. Ik vond dat je veel schreef over het uiterlijk van vrouwen. Dat gezeur over die borsten vond ik bijvoorbeeld vervelend. Dat ze eraf moesten was natuurlijk afschuwelijk, maar die Stijn ging er maar over door, alsof het een soort speeltjes waren die hem werden afgepakt. ‘Dat deed ik juist om het contrast te benadrukken tussen die jonge viriele Stijn en het drama van kanker, wat een totaal onbezorgd leven liet exploderen. Alles wat te maken heeft met jeugd, vruchtbaarheid, seks en lust raakt is ineens weg. Stijn was daar niet tegen opgewassen. Hij was ook veel minder emotioneel volwassen in vergelijking met Carmen, zijn vrouw.’ Net als jij dat was in tegenstelling tot je overleden vrouw Judith? ‘Daar komt het wel op neer.’ En nu ben je dan langzaam volwassen aan het worden? ‘Daar streef ik naar in ieder geval.’ Je zou nu beter kunnen omgaan met een vrouw met kanker? ‘Ja, absoluut. Klinkt heel stom misschien, maar het is iets wat ik me toen ik verliefd werd op Anne meteen afvroeg. Zou ik voor haar kunnen zorgen?’ Echt waar? Wow. ‘Ja. Ik heb het meegemaakt. Maar dat wil niet zeggen dat ik trots ben of mezelf vrij pleit van toen. Ik wil nu gewoon meer naar mijn morele kompas luisteren. Dat heb ik geleerd bij de Hofman-methode. Zo’n intensieve therapieweek die ik ook in Familieopstelling beschrijf. Ik maak er daar een karikatuur van, maar ik heb er best veel van opgestoken. Voornamelijk dat ik zelf bepaal wie ik kan zijn. Wat voor man ik wil zijn. En ik wil een aardige man zijn.’ Je zegt dat je minder streberig bent, maar misschien is dat niet eens zo. Misschien heb je gewoon je doel veranderd. ‘Goh, zo had ik het nog niet eens bekeken.’ Je schrijft in Familieopstelling ook dat je ouders gek op elkaar waren. Is dat wat jij ook zoekt? ‘Zeker. Ik krijg ook steeds meer waardering voor mijn vader. Ik ga ook zien dat ik eigenlijk op hem lijk en op hem wil lijken.’ In welke zin? ‘Hij was aardig en vrolijk. Maakte altijd een praatje met iedereen. Vroeger schaamde ik me daarvoor maar nu ben ik trots op hem. En hij maakte mijn moeder echt heel gelukkig.’ Dus je zou je zelf nu echt totaal voor je kop slaan als je vreemdging bij Anne? ‘Ja, heel erg! Ik zou mezelf echt de domste lul op aarde vinden.’ Ben je er bang voor? Dat het je toch zou overkomen? Dat je jezelf niet kan vertrouwen? ‘Nee, eigenlijk helemaal niet. Vergeet niet dat ik inmiddels 56 ben hè: ik ken mezelf. Daarom durf ik het ook te roepen.’ Dat roepen zou ik juist niet van mezelf vertrouwen. Ik zou denken dat het een soort bezwering is. ‘Oh nee, ik ben echt iemand van de oneliners en de motto’s. Die helpen me juist heel erg mijn doelen te behalen.’ Haha, een wandelende oneliner ben je! ‘Kijk! Je hebt je titel al te pakken! Vrienden van me hebben dat ook wel eens gezegd, dat ik misschien bezweringsformules gebruik. Ik heb mezelf ook altijd volledig in relaties gestort.’ Ook met Saskia Noort? Dat was alweer over toen het begonnen was. ‘Ja. Bij haar was dat echt te veel. Zij had eerder door dan ik dat we niet bij elkaar pasten. Maar ik kan het niet op een andere manier. Ik ga er helemaal voor. Ik ben eigenlijk gewoon een romanticus.’ Ja maar dan kun je je ook wel voorstellen dat dat je geloofwaardigheid niet ten goede komt. Dat mensen zoiets hebben van: daar hebben we de zoveelste ware. ‘Ja, dat kan ik me heel goed voorstellen. Dat dachten vrienden van Anne en van mij ook in het begin. Maar nu weten ze wel beter, ze zien en zeggen dat we bij elkaar passen. We kenden elkaar al langer, maar na een avond bij mij thuis. Was ik helemaal van de kaart. Dezelfde humor, dezelfde kijk op dingen, het knetterde aan alle kanten, terwijl we alleen maar hadden gegeten. Toen ze weg was, bleef ik helemaal verbouwereerd achter. Zo van: wat was dit? En toen heb ik midden in de nacht een hele lange app geschreven. Ik wist dat als ik hem zou versturen, alles zou veranderen.’ Wat stond erin? “Ik weet zeker dat als wij samen zouden zijn, we elkaar zo scherp zouden houden. We zouden elkaar altijd blijven boeien en ik zou vandaag voor je gaan voor altijd. Die app hangt nu uitgeprint bij haar op de wc.” Dat wel echt mooi. Ik ben er een beetje ontroerd van. ‘Gaat het? Wil je een zakdoek, een wijntje misschien?’ Haha ja, daar heb ik wel behoefte aan. ‘Mooi. Anne kan ook elke moment komen, dan gaan we lekker borrelen.’ Hij springt van zijn roodfluwelen kruk. Ik veeg een beetje vocht uit mijn ogen. Ook ik ben een romanticus ben ik bang. ‘Weet je wat het is…’ zegt Kluun als hij terugkomt en me een bel rode wijn aangeeft, ‘Anne past zo goed bij me. Ze lijkt ook op Juut qua karakter. Rustig, sterk, stabiel en enorme humor. Ik heb eigenlijk het gevoel dat het universum me een tweede kans geeft.’ Maar dan zou het zo moeten zijn, dat zij nu vreemdgaat. Dan zou de cirkel pas echt rond zijn. ‘Hahaha, Wat gun jij me allemaal, zeg… Soort van karma’s gonna get you, … Maar touché… En weet je: ik zou haar daar niet meteen voor laten vallen.’ Nee, dat zou ook wel erg hypocriet zijn! Maar ik gun jullie alle geluk, natuurlijk. Ik kijk naar de man tegenover me zit, met zijn Gentle Man T-shirt. Hij wil een aardige man zijn. Ik vind dat hem dat best lukt. Dan heffen we onze glazen. ‘Proost, Bergsma!’ Proost gentleman, op je tweede kans. Precies op dat moment komt Anne binnen. Dat is mooi want nu kan ze met ons mee proosten. We pimpelen tot de avondklok. Het is een leuk stel, ik geef ze veel kans.  Ik heb haar voor de zekerheid wel verteld dat ze minstens één keer ongestraft vreemd kan gaan.

Door Stella Bergsma. Dit interview verscheen eerder in SAAR-Magazine

Geplaatst op

Online-evangelie

Kluun kennen we als auteur van de bestseller roman Komt een vrouw bij de dokter. Sinds kort heeft de Amsterdamse schrijver de regie in handen genomen over zijn marketing, online sales en de rechten van een aantal van zijn boeken teruggekocht. In dit interview vertelt hij hoe hij zijn marketing en social media-strategie efficiënter maakte en zo met minder inspanning, meer boeken verkoopt.

>> Luister hier naar de podcast Digitaal Vermogen

Meer doordachte marketing

“Het boekenvak is best conservatief, terwijl men juist in actie moet komen. Er worden elk decennium weer minder boeken verkocht. De romantiek verdwijnt uit het boekenvak als de mooie boekwinkels hun deuren moet sluiten. Maar we kunnen blijven klagen over ontlezing of er zelf wat aan doen. We zullen allemaal mee moeten in de online-wereld, maar het boekenvak vindt dat nog lastig”, vertelt Kluun.

Traditioneel focussen uitgevers en schrijvers op de lancering van een boek, waarna ze achteroverleunen. “Dat kan anders en beter, bijvoorbeeld met een social media-plan. Zo kan je langer onder de aandacht blijven bij fans die mogelijk je boek willen kopen. Ik mag rekenen op veel publiciteit bij elke boeklancering, waarmee elk nieuw boek al meteen een flink bereik heeft. Dat bereik wilde ik nog slimmer inzetten. Denis Doeland zei al langer dat er online een wereld te winnen was, maar ik begin nu ook wel in zijn online-evangelie te geloven. Het werkt.”

Nieuwe marketingaanpak

Om online te groeien, moet je echter wel aan de slag, aldus Kluun. “Ik heb dan ook wekelijks een belletje over mijn social mediastrategie, de webshop en de ROI (return on investment, red.) van alle advertenties. Sommige auteurs willen alleen maar schrijven en zich nergens anders mee bezig hoeven houden, dus dit is niet voor iedereen weggelegd. Je moet het wel leuk vinden. Of de schrijver of uitgever dat moet doen? Uiteindelijk maakt het weinig uit. Ik vind het leuk om zelf tijd en geld te investeren in de marketing van een boek, dan hou ik mijn financiële en creatieve vrijheid en ligt er straks geen back-oeuvre nodeloos op de plank te verstoffen. Ook boeken die ik vijf of tien jaar geleden schreef verdienen meer lezers, vind ik.”

Hoe zorg je ervoor dat je complete catalogus aan boeken niet op de plank blijft liggen? “Door in contact te komen en blijven met lezers. Door op social media van je te laten horen. Ik vind het leuk om creatief bezig te zijn en ben enthousiast in het maken van posts voor Facebook, LinkedIn en Instagram. Ik plaats bijvoorbeeld het begin van een column, waarbij de lezer opgeroepen wordt om de rest daarvan op mijn site te lezen. Zo zorg je dat zoveel mogelijk mensen op je site binnenkomen, waarna je natuurlijk ook het emailadres vraagt om langer in contact te blijven. Het belangrijkste in het contact met fans blijft: zorgen dat ze het leuk vinden om te volgen waar ik mee bezig ben.”

Posten wat werkt

Om ervoor te zorgen dat mensen enthousiast worden en blijven, was er een meer doordachte marketingaanpak nodig. “Ik bedenk elke week: wat gaan we deze week posten? Voor wie gaan we welke post maken? En welk boek brengen we in die post onder de aandacht? Voorheen plaatste ik op social media eigenlijk vooral wat ik leuk vond, maar nu is er een veel meer doordachte aanpak, waarin we ook kijken wat rendeert. Daarom meten we ook welke actie effect heeft. Ik was bijvoorbeeld verbaasd dat mijn berichten op LinkedIn zo goed scoorden.”

Uiteindelijk is social media een middel om een band op te bouwen met fans en zo boeken te verkopen. “Dat gebeurt gelukkig niet op een opdringerige manier. Het is geen hard selling. Integendeel. Iemand ziet bijvoorbeeld een filmpje van mij over café De Smoeshaan of café Nol, tijdens de Lockdown . Als hij dat soort video’s leuk vindt, kan-ie meteen doorklikken naar het boek in de webshop. De verkoop van Aan de Amsterdamse Nachten was morsdood, maar we hebben er nu in een nieuwe druk een mooie gebonden koffietafelversie van gemaakt, wat ik best spannend vond. Ik betaal dat zelf. Maar er gebeurt precies wat Denis en zijn team voorspelde: al binnen twee weken waren we break even. Het zou me niks verbazen als we straks een tweede druk moeten maken.”

“Of ik krijg van de data-specialisten opdracht om even een korte promo-video op te nemen voor Vaderdag voor Familieopstelling. Eentje in ABN en eentje in plat Tilburgs, waar we alleen online mee adverteren in de regio midden Brabant. Kost me vijf minuten, gewoon op mijn iPhone. Mijn dochter neemt ze op. Simpel as that. We gaan er geen Oscar mee winnen, maar het werkt wel.”

Meten is weten

Een van de manieren waarop er effectievere marketing plaatsvindt, is door te meten welke doelgroep welk boek interessant kan vinden. “Aan de Amsterdamse nachten blijkt populairder bij mannen, dus targetten we die meer met onze posts en advertenties. Familieopstelling is populairder bij vrouwen in Noord-Brabant, dus presenteren we samen met de uitgever dat boek aan hen. In het geval van Familieopstelling, dat nog maar een jaar geleden uitkwam, investeert de uitgever, Overamstel, mee. Ik heb er goede hoop op dat ook de boekhandel mee gaat profiteren van onze hernieuwde inspanningen van dat boek. Want hou me ten goede: ik wil echt niet alleen boeken via mijn eigen website verkopen. Mijn liefde voor de boekhandel blijft onverminderd groot. Mijn ambitie is wel om het boek opnieuw de Top 60 in te duwen na de zomer. Zo hebben we een gefundeerde social mediastrategie.”

Het contrast met de oude strategie is groot: een poster in de stad of advertentie in een krant kost duizenden euro’s, zonder dat je het effect meet. “Die posters of advertenties dienden eigenlijk vooral het ego van een schrijver. Bij onze data-gedreven aanpak richten we ons niet meer op ons onderbuikgevoel, maar meten we de impact van alles wat we doen. Dat is veel efficiënter. Met een online column of video bereik ik veel meer mensen dan met een optreden in een bibliotheek of boekhandel, al blijft dat ook heerlijk om te doen en zal ik dat ook blijven doen. Maar heel realistisch: een lezing in een bibliotheek in Enschede, hoe leuk ook, betekent dat ik driekwart van de dag kwijt ben en dus niet kan schrijven. Dus dan is een fijne post schrijven wel een logischere investering.”

Boekenrechten in eigen beheer

Kluun heeft niet alleen een meer effectieve vorm van marketing gekozen, hij bezit inmiddels ook de rechten van veel van zijn boeken. “De uitgever ziet dat er weinig exemplaren van die oudere boeken meer verkocht worden, dus staakt alle marketinginspanningen om het boek aan de man te brengen. Aan de Amsterdamse nachten was zelfs niet meer verkrijgbaar. Terwijl er veel meer rek in je oeuvre zit dan je denkt. Tenminste, als je er moeite voor wil doen.”

Die moeite doet Kluun dan ook. “Neem nou Komt een vrouw bij de dokter. Dat boek bestaat over twee jaar 20 jaar. Er is een generatie die dat boek heeft gelezen – en die generatie heeft nu kinderen, die mijn roman nog niet gelezen heeft. Hoe cool zou het zijn als mijn boek weer populair wordt op middelbare scholen? Over twee jaar is er een theaterversie van het boek, waarvan ik hoop dat ouders met hun studerende en schoolgaande kinderen erheen gaan. En die benaderen we dan ook via social media met het aanbod van het boek, e-Book of audioboek. Mijn roman DJ was populair bij danceliefhebbers. Daar zijn er heel veel van, die niet de boekwinkels platlopen, zeg maar. Een slimme marketingstrategie en een audioboek kan zo zorgen voor een nieuw publiek.”

Leren van online bedrijven

Voordat Kluun doorbrak als schrijver, was hij werkzaam als reclameman. “We wonnen verschillende reclameprijzen en maakten heel erg mooi creatief werk. Maar dat was het ‘m ook precies: we maakten mooi creatief werk, zonder dat er een data-gedreven aanpak was. Er werd makkelijk een miljoen uitgegeven zonder enig idee of het wel werkte. In dat opzicht denk ik soms nostalgisch terug aan mijn tijd bij Neckerman, waar het een stuk minder creatief was, maar waarbij we wel precies wisten hoe we met elke gulden (!) meer guldens omzet konden genereren. Uitgevers en schrijvers kunnen veel leren van de old-school postorderbedrijven en huidige internetbedrijven, die op basis van data beslissingen nemen.”

Als business-hacker sluit ik me aan bij deze stelling van Kluun: er is voor schrijvers en uitgevers nog veel te leren van internetbedrijven. Sterker nog: in feite ben je als schrijver data. Ongeveer zeven jaar geleden schreef ik al een stuk waarin dit gedachtegoed tot uiting kwam:

“Als schrijver maak je deel uit van het gehele ‘internetecosysteem’ en van je eigen internetecosysteem, waarbinnen je meer kans wil maken op omarming door de lezer. Daarbinnen leer je snel te beseffen dat je moet bestaan uit content, dat je functionaliteit aanbiedt en ook data bent. De content wordt gedistribueerd via de diverse gebruikerslagen van het web, de sociale kanalen, de (mobiele) apps en de ‘open API’s’ oftewel interfaces waar ontwikkelaars zelf functionaliteiten op kunnen ontwikkelen.”

Geplaatst op

Café De Zwart

Café De Zwart bestaat 100 jaar! Twee decennia lang was dit café de huiskamer van A.F.Th. van der Heijden en zijn hofhouding. Al wenst A.F.Th. het woord hofhouding graag te nuanceren.
‘Goed, op de avonden dat ik hof hield bij café De Zwart, kon men aan mijn tafel nogal eens dezelfde personen aantreffen. Een leider heb ik in dit heterogene gezelschap nooit kunnen ontdekken. Mijn probleem is dat ik nooit de spelbreker wil zijn door als eerste uit een drinkgezelschap op te stappen. Opeens is het elf uur, half twaalf. De samenstelling van de stamtafel blijkt sinds zes uur acht of negen keer te zijn veranderd, met als enige constante de man die de hectische gezelligheid niet wilde ontwrichten. Een dergelijke gang van zaken kan tot een hoge caférekening leiden.’

Maximaal laadvermogen
‘Mijn tempo past zich aan aan de groep. Ik schat dat ik in mijn beste tijd, op zware avonden, twaalf rechte glazen bier aankon, afgewisseld door een drietal wodka’s (als die tenminste zo ijskoud waren dat het glaasje aan mijn onderlip bleef plakken).’

Magneet
‘Ik vond het altijd zonde om pas in de loop van de avond naar De Zwart te gaan. Des namiddags vijf uur, op zijn laatst half zes: dan zag je, als participant, hoe het happy hour werd opgebouwd. De Zwart was altijd een café waar je niet met iemand afsprak: zo en zo laat, en daarna uit eten. Nee, je liet je verrassen door het pakket aanwezigen. Kansberekening kreeg hier geen vat op. Als door een soort sociale magneet werd op sommige avonden het merendeel van de stamgasten naar het Spui gezogen. Op andere avonden stond je, jezelf verbijtend, door het grote raam over het plein uit te kijken.’

Misdragingen
‘Natuurlijk waren het altijd de anderen die zich misdroegen, tegenover mij – en dat haalde dan weer het slechtste in mij naar boven. Op een rustige avond stond opeens een kale, gedrongen gestalte naast onze tafel. Blijkbaar was dit freelancejournalist Micha Kat, een beroepsidioot, die ook buiten zijn digitale werkvloer niet met schelden kon ophouden. Toen ik er genoeg van kreeg, heb ik Micha Kat in een soort zelfbedachte houdgreep genomen, met de bedoeling hem met zijn kop door de glazen deur te rammen. Terwijl ik de kale kruin op weg zag gaan naar het glas, werd de praktische geest weer over mij vaardig. De ruit kon immers breken, en dan? Een slagaderlijke bloeding, kleren onder het bloed, hoge stomerijkosten, en niet te vergeten een exorbitante caférekening voor het vervangen van de ruit. Ik volstond ermee zijn hoofd bonzend met het glas in aanraking te brengen, min of meer als waarschuwing. Buiten bleef Micha Kat, zijn fiets aan de hand, nog even na staan schelden. Hij had niet eens een buil. Mijn oude fout: extreme mildheid tot ver over de linies.’

Uittrede
‘Mei 2010 verongelukte Tonio. Met hem bracht ik gedurende de jaren negentig elke zaterdag wel een uurtje of twee bij De Zwart door, waar hij dan aan een tafeltje zat te tekenen of een onderdeel van technisch lego in elkaar zette. Sinds zijn dood kom ik vrijwel nergens, laat staan in het café. Ik sluit niet uit dat ik op een dag weer gewoon het tochtgordijn opzij sla, en een beetje onwennig op mijn oude plekga zitten. Waar waren we gebleven?’

Geplaatst op

Welling

Het is het laatste adres op ons lijstje: Welling. Na achtereenvolgens Ruk & Pluk ( een pilsje) De Smoeshaan ( twee IJwit) La Bastille ( drie bier en twee limoncello) ging ik redelijk bedwelmd, met een stapel boeken onder mijn arm, over de drempel van dit goed geconserveerde geheim in Oud-Zuid. In dit café komen sinds jaar en dag voornamelijk schrijvers en kunstenaars. Ik heb er jarenlang om de hoek heb gewoond. Ik was de schrijver van Komt een vrouw bij de Dokter en hoorde er dientengevolge nooit bij in Welling. Dit keer kom ik wat brengen. Dat scheelt altijd. Toch voel ik dezelfde meewarige blikken nu ik met mijn stapeltje boeken het etablissement betreed. Daar zal je Kluun hebben. Het reclamemannetje heeft zeker weer wat verzonnen.

Binnen zit het aardig vol met dames en heren waarvan men mag aannemen dat zij al enige tijd gevaccineerd zijn. In hun midden tref ik een van de meest beroemde drinkers van Amsterdam, ex-uitgever én café-uitbater tegen wil en dank: Bas Lubberhuizen. Na de boel even Wellinggetrouw te hebben aangekeken nodigt hij mij en mijn gevolg zowaar uit om aan de ronde tafel te komen zitten. Alsof Koning Arthur zelf een stoel voor je achteruitschuift.

Ik zet mijn stapel boeken op tafel en steek mijn riedel af: ik heb hier tien exemplaren Aan de Amsterdamse Nachten voor de tien meest gewaardeerde stamgasten van café Welling.
Zozo, zegt Bas. Eerst maar eens wat te drinken. Allemaal een biertje?
Deemoedig knikken we. Wie durft Bas Lubberhuizen tegen te spreken. We proosten op de heropening van de Nederlandse horeca en daarna verzamel ik alle moed die ik in me heb en vraag ik de ronde tafel of zij het misschien leuk zouden vinden als ik een stukje voorlees?
Ik zou liegen als ik zeg dat er instemmend wordt geknikt. Maar, zo vat ik het stilzwijgen op, er is in ieder geval niets op tegen. “Als u vindt dat u de laatste tijd te veel drinkt, ga dan eens een kijkje nemen in Welling,” begin ik. Vervolgens word ik geconfronteerd met wat ik meer dan tien jaar geleden in alle privacy te boek heb gesteld. Woorden die te midden van de mensen waar ze over gaan iets minder vlot uit mijn mond komen. (Over dat de gebruikelijke Welling klandizie van zuipen houdt en zich niet druk maakt over het daarmee gepaard gaande verval omdat ze toch al niet zo mooi waren…)

Ik breng het er heelhuids vanaf. Nu komen mijn tafelgenoten los met hun verhalen over Welling. Ron Hijman, stamgast van Welling (‘Altijd éérst je voornaamste functie noemen!’) en daarnaast klinisch neuropsycholoog en schrijver van wetenschappelijke artikelen, steekt van wal met een anekdote over Wim T. Schippers. Stamgast van Welling, eigenzinnige kunstenaar, uitvinder van de pindakaasvloer en de altijd vrolijke oranje vriend van Bert.
Lang geleden, niet zo veel stoelen hier vandaan, vertelt Ron, hoorde Wim een tafeltje verder een jong stel met elkaar ruzie maken. Wim stond op, boog zich tussen beiden en vroeg; “Zou u íets harder willen praten, want zo versta ik er niets van.”

Op ons tafeltje zijn de boeken inmiddels gesigneerd en de glazen leeg. Tijd voor jenever, blijkbaar. Bas Lubberhuizen trekt vanachter de toog een fles eigengestookte jenever vandaan. Met vijf kleine jeneverglaasjes keert hij terug aan de ronde tafel, schenkt de kelkjes in tot nèt over het randje, waarna wij nogmaals proosten. Collega auteur Ties Teurlings, (éérste keer in Welling!) vraagt Bas of dat kwaad kan, jenever en bier door elkaar heen. ‘Amper,’ antwoordt Lubberhuizen en schenkt mijn jonge collega nog maar eens bij. Het is ten slotte feest.
Wij vragen Bas naar de toekomst van Welling. Bas is ervan overtuigd dat het hier tot in de eeuwen der eeuwen moet blijven zoals het is. Een ontmoetingsplek voor schrijvers, journalisten, ideeenmakers en muzikanten. Zonder muziek. “In een café verkoop je sfeer en geef je er wat te drinken bij. ”

Tegen de avond verlaat ik Welling. Eindelijk weer eens ouderwets in de kroeg gezeten.
Van de jonge Ties Teurlings is nog altijd, vijf dagen later, geen spoor.

SCHRIJF JE IN VOOR DE NIEUWSBRIEF VAN KLUUN!