Geplaatst op

Ik ben geen klusser.

Ik ben geen klusser. Mijn vader heeft het wel geprobeerd hoor. Ik zie ons nog staan, in de keuken naast mijn fiets, die hij op z’n kop stond, teiltje ernaast met zeepsop en van die ijzeren gevallen in zijn hand (die dingen hebben vast een naam, maar alle overbodige kennis is ballast) waarmee hij de lekke band van de velg (dat woord ken ik dan nog net) haalde, die binnenband weer oppompte en het ding minutieus stukje voor stukje door het zeepsop haalde. Terwijl ik dit schrijf weet ik ineens niet meer zeker of het eigenlijk wel met zeepsop was, misschien was het ook wel gewoon een bak met water, waar die band doorheen ging.
‘Hebbes!’ riep mijn vader plotseling. ‘Kijk, waar die belletjes naar buiten komen, zit het lek.’
Vervolgens maakte hij de binnenband droog, plakte een stukje rubber op de binnenband, legde binnen- en buitenband weer op de velg, waarbij hij met zijn vingers die hele band keurig op z’n plek duwde, om er na een uur achter te komen dat het ding weer leeg was gelopen, waarna het hele proces weer opnieuw begon, want zo zei mijn vader vrolijk, ‘dan zat er dus nog een gaatje in.’
En ik moest meekijken, want anders zou ik het later nooit zelf kunnen.
‘Maar als onze Lieve Heer had gewild dat wij zelf fietsbanden zouden plakken,’ vroeg ik, ‘dan had hij toch nooit de fietsenmaker uitgevonden?’
Ik ben van het facility management. Ik probeer mijn leven in te richten volgens de wijsheden van Hendrik Johannes Cruijff. ‘Doe waar je goed in bent en laat anderen doen waar je slecht in bent.’ Of meneer Cruijff het daadwerkelijk zo gezegd heeft, weet ik niet, maar het komt vast in de buurt, net zoals mijn beschrijving van het plakken van een binnenband.
Vorige week bestelde ik voor mijn jongste dochter een nieuw bed. Ze wilde een grote mensen-bed. Ik heb niet gevraagd waarom. Op de ochtend dat het nieuwe bed werd geleverd door twee vriendelijke bezorgers van IKEA, moest ik eerst het oude uit elkaar zien te halen. Nu heb ik op mijn woonboot niet veel meer gereedschap dan een schroevendraaier, een hamer en een schaar. Ik kan u vertellen dat je met een schroevendraaier en een hamer en een schaar niet ver komt, als je een bed uit elkaar wilt halen. Het enige dat je er goed beschouwd mee kunt, is het nieuwe bed uit zijn verpakking halen.
En toen stond ik ineens midden in de slaapkamer van mijn dochter, omringd door een forse hoeveelheid planken van diverse afmetingen, een matras van 1,40 bij 2,00m, een berg karton en bubbeltjesplastic om u tegen te zeggen, een eenpersoonsbed dat uit elkaar moest, een hamer, een schroevendraaier en een schaar. Mijn vader kon ik niet bellen, die is al zeven jaar dood.
Kent u Zoofy? Dat is een website voor mensen als ik, mensen die geloven in Johan Cruijff. ‘Regel je klusje zonder gedoe’. Vooral dat woord regel bevalt me. Binnen een uur stond Sonny op de vlonder van mijn woonboot. Sonny had soorten gereedschap bij zich die volgens mij onder de wet op verboden wapenbezit vallen.
Binnen twee uur had Sonny het oude bed uit elkaar gehaald, het nieuwe in elkaar gezet, mij een hand gegeven en was fluitend weggereden in zijn bestelbus.
Ik heb over bovenstaande column 57 minuten en 34 seconden gedaan. In die tijd heb ik het geld dat ik Sonny en Zoofy heb betaald al weer ruimschoots terugverdiend.
Ik dank God dat hij Zoofy.nl heeft uitgevonden, Johan Cruijff voor zijn wijsheid en Sonny voor zijn gereedschapskist.
Zo. En nu moet ik opschieten, want de fietsenmaker sluit om zes uur en mijn dochter heeft een lekke band.

Deze columns verscheen eerder in JFK Magazine. Ik heb geen aandelen in Zoofy.

Geplaatst op Geef een reactie

Het is een homo

Vandaag, okt 2021, in het nieuws. Een jaar of acht geleden schreef ik deze column in de Ajax-glossy Ajax1900. Termen als LGBT, laat staan LGTB+, bestonden nog niet. En ‘homo’ zou ik nu graag door ‘gay’ hebben vervangen. Voor de rest sta ik nog steeds achter de column en hoop dat de laatste regels ooit werkelijkheid worden.

Lees hier het artikel “Australische voetballer uit de kast, als enige op hoogste niveau wereldwijd”


Hij is een homo.

Eind jaren tachtig ontstond in voetbalstadions de folklore om iedere langharige speler van de tegenpartij toe te zingen dat hij een transsexueel was die in een bordeel werkte en van negen tot vijf een omgebouwd wijf was (persoonlijk ken ik geen bordeel met dergelijke openingstijden, maar ik ben er al eventjes uit). Spelers van NAC kregen wekelijks te horen dat ze homo waren, ja ja, een homo uit Breda. Dat bekte namelijk lekker. In All Stars (1997) komen Danny de Munk en zijn medespelers er achter dat een van hun teamgenoten homo is. Dat was me wat, een homo onder de douche na het voetbal. Niet bukken, jongens! Alsof een nicht bij het aanzicht van de twee harige hetero hangbillen van een dikke, bezwete teamgenoot zou denken; mmmm, mjammie!

Volgens medische studies voelt rond de tien procent van alle mensen zich aangetrokken tot hetzelfde geslacht. Afhankelijk van land en cultuur komt vijf tot tien procent daarvoor uit.

In het betaald voetbal is geen van de bijna duizend actieve voetballers homo.

Vorig jaar ontstond de discussie hoe dat kwam. René van der Gijp wist dat jonge gays nou eenmaal liever kapper dan voetballer worden. Frank de Boer, doorgaans de nuchterheid en beschaafdheid zelve, deed een duit in het zakje door iets over mindere motoriek van homo’s te roepen. En zichzelf daarna te corrigeren, gelukkig.

Hou toch op. Laten we elkaar geen mietje noemen, of eigenlijk juist wel: als u of ik in onze puberteit zouden ontdekken dat we meer op jongens dan op meisjes zouden vallen, zouden wij onze coming out dan de voetbalkleedkamer in hebben durven toeteren? In de wetenschap dat we wekelijks de hoon van al onze maten over ons heen zouden krijgen? Ik zou wel link uitkijken. Hoeveel ik ook van voetbal zou houden, ik zou ‘m gesmeerd zijn naar een sport waar ik wel mezelf zou kunnen zijn. Desnoods zou ik kapper zijn geworden.

Onder homo’s is het songfestival populairder dan de Champions League. Maar in mijn vriendenkring zitten nichten die net als ik geen minuut van het Nederlands elftal op het WK hebben gemist. Seksuele geaardheid beïnvloedt interesses, maar ze bepaalt ze niet. Zouden Frans Derks, Ignace van Swieten en John Blankenstein zich iedere week weer hebben blootgesteld aan de hoon van het publiek, als ze niet helemaal leip van voetbal zouden zijn geweest?

Het opperhoofd van Apple, Tim Cook, zei als eerste CEO van een Fortune 500 bedrijf: ja, ik ben homo. Ik hoop dat in 2016 de eerste Nederlandse speler openlijk uit de kast komt. Hij wordt de Tim Cook van het Nederlands voetbal.

Ja, hij zal het moeilijk krijgen. Hij zal week na week worden uitgejouwd, weggehoond, toegezongen, uitgescholden.

Maar hij wordt wel instant en voor eeuwig een held.

Een standbeeld voor de speler die dit durft.

Wat zou het ons sieren als wij in de ArenA in Amsterdam, de stad van de iT, de RoXY, de Gay Parade, Ramses Shaffy, Ien Dales, Erwin Olaf, Johnny Jordaan, Johannes van Dam, Joop Braakhekke die speler dan niet gaan toezingen dat hij een omgebouwd wijf is. Dat we niet gaan joelen, geen hoge geluidjes gaan maken, maar met zijn allen, van F-side tot eretribune, van Vak 410 tot de spelers op de bank, op zouden staan en deze held na zijn publiekelijke coming out een applaus zouden geven waar hij zijn hele leven op kan blijven teren. Waar hij, iedere keer dat hij in de provincie wordt uitgefloten, aan terug kan denken.

Wat zou ik trots zijn op Ajax, op onze stad, op ons.

——————-
Deze column verscheen eerder in Ajax1900 magazine

Geplaatst op

Vulgaire Chinese Taal – Ronald Giphart

Vulgaire Chinese taal – Ronald Giphart

Tien jaar geleden was China één van de dertig landen waar Komt een vrouw bij de dokter zijn weg naar een lezerspubliek vond. Daar ga ik ten minste van uit. Het zou evengoed de bijsluiter van een Chinese stofzuiger of het telefoonboek van Wuhan kunnen zijn.

Dankzij een Nederlander die in China werkte voor Amnesty International kwam ik erachter dat bijna alle seksscènes uit het boek waren gehaald. U hoort het goed: Komt een vrouw bij de dokter zónder seks. Dat is toch als Dolly Parton zonder … gitaar. Onze man in China vertelde onder andere dat van een drie pagina’s durende masturbatiescène slechts drie woorden waren overgebleven : ‘Hij troostte zichzelf.’ (Sindsdien staat masturberen in mijn vriendengroep bekend als ‘troosten’)

Tot op de dag van vandaag vraag ik me af wat er van het originele verhaal is overgebleven. Helaas zullen we nooit precies weten wat ze er daar in China van hebben gebakken.
Collega Ronald Giphart schreef tien jaar geleden een heel leuk stuk over de Chinese versie. (dank Hans Gaarlandt dat je me eraan herinnerde!)

‘Komt een vrouw bij de dokter’ is te verkrijgen in mijn webshop.

Geplaatst op

Nr. 31 Oosterling

Nr. 31 Oosterling

Het Praathuis – dat van het Grote Dierenbos van De Fabeltjeskrant –ligt dus gewoon keihard in Amsterdam. Dezelfde biertonnen, dezelfde raamindeling, hetzelfde geneuzel van de stamgasten. Als slap ouwehoeren een kunst is, dan is café Oosterling het Stedelijk Museum. En een van de stamgasten was, jawel, Leen Valkenier, auteur van 1041 af leveringen van De Fabeltjeskrant. Dan ben je best vaak in Oosterling geweest.
We zullen er geen who was who in Oosterling van maken; de gebroeders Bever, Bor de Wolf, Zoef de Haas, Juffrouw Ooievaar – er is geen beginnen aan. Maar één ding staat vast: Adèle Bloemendaal haalde aan de bar van Oosterling ooit een borst uit haar blouse en liet die zien aan een student die iets te lang haar boezem had zitten bestuderen: ‘Wil je er soms eentje vasthouden?’ Hebben we Truus de Mier nooit zien doen. Maar geneuzeld en gemopperd wordt er voldoende in dit café. De Oosterling-mensch heeft het niet zo op verandering. Daar staat zelfs een verbod op. De magnetron werd alleen geaccepteerd omdat warme gehaktballetjes toch lekkerder zijn dan lauwe. Met pijn in hun buik denken de eigenaren terug aan het eindeloze gejammer, nadat ze het gewaagd hadden het toch niet echt sprankelende bordje drinken is gezellig, zuipen niet weg te halen. De gebroeders Oosterling, eigenaars van dit etablissement (dus niet geheel zonder inspraak, zou je zeggen), opperden eens het bruingerookte plafond te witten. Onbespreekbaar.
Tijdens een grondige renovatie in 1995 werd de potkachel midden in de zaak dan toch eindelijk vervangen door centrale verwarming. Door het lekkende ding had een koolmonoxidevergiftiging jarenlang op de loer gelegen. Marcel Oosterling: ‘Iedereen lag aan het gas, maar dat hadden we nooit in de gaten, omdat de kozijnen zo poreus waren dat er altijd frisse lucht binnenkwam.’
Tot op de dag van vandaag klagen de klanten van Oosterling over waarom die kachel nou zo nodig weg moest. Toch zit er met al dat gekanker wel een hechte club daar aan de bar. In 2008 werd een van de stamgasten ziek. Zijn nieren dreigden uit te vallen. Een andere stamgast zei spontaan: ‘Als het een match is, mag je die van mij wel hebben.’
Het was geen borrelpraat. De bloedgroepen bleken te kloppen en de nier is met succes getransplanteerd.
Een mooi verhaal, maar een nier uit Oosterling, wie doe je daar nou werkelijk een plezier mee?
Oscar Oosterling: ‘Laatst vroeg iemand hier: “Heb jij toevallig een long voor me?”’

Geplaatst op

Nr. 53 Rooie Nelis

Ooit kwam een mooie vrouw café Rooie Nelis binnen. Ze zag de kastelein wel zitten. ‘Wat zeg je, een mooie vrouw!? Ze was gewoon zo geil als de pleuris!’ Aan het woord is Blonde Sien, drieëntachtig jaar. Naast haar op het vertrouwde hoekje van de bar zit de kastelein in kwestie: Zwarte Gerrit (ondertussen zo grijs als een dakduif), eenentachtig jaar, echtgenoot van Sien. Sien met een Beerenburg en een sinas tegen de dorst, Gerrit met een pilsje. Ja, of een whisky. ‘Ik lust alles.’
Wij krijgen ook snel wat van Sien te drinken, ‘want anders krijgen jullie dorst en dat moeten we niet hebben’.

Als hier de telefoon gaat, neemt Gerrit op met ‘Met de NSVH’ en als hij te lang over een andere vrouw praat, zegt Sien: ‘Maar ik heb toch ook geen bochel?’ Zulke gesprekken. Drie onderwerpen zijn hier taboe: politiek, geloof en liefde. Sien: ‘Van al die dingen krijg je oorlog. Die z’n wijf heeft ergens anders liggen potten, die d’r man is homofiel geworden. En dan mag jij het op een ander verhaal brengen, zodat het weer gezellig wordt.’
Dit is de Jordaan, buiten de toeristenroute. De zaak opende in 1937. De eerste eigenaar was Rooie Nelis, zoon van Zwarte Nelis en vader van Blonde Sien. De Jordaan heeft iets met bijnamen. Sien: ‘De vader van mijn moeder heeft één stoot op zijn porem gehad en die heette zijn hele leven Jan de Lip.’
Het muziekrepertoire bestaat voornamelijk uit André Hazes, al beweert Gerrit een Engelstalig nummer in huis te hebben (‘van Froger’). Het interieur voldoet aan de stijlwetten: muren zijn er niet voor behang, die zijn er voor lijstjes met foto’s. Op die foto’s staan portretjes van Nelis en Sien door de jaren heen en van Gerrit toen die nog echt Zwarte Gerrit was. Verder een eindeloze stoet BN’ers: André van Duin, Hazes zelf natuurlijk, Danny de Munk, Opera Pietje, Gordon (‘die is hier begonnen, we kregen hem aangeboden van de marktjongens’), Rudi Carrell, twee generaties Alberti. Maar de grootste trots aan de muur zijn foto’s van stamgaste Beatrix als twintiger, als dertiger, als veertiger en als zeventiger. Blonde Sien is zelfs geridderd, vertelt ze niet alleen aan iedereen die het horen wil. Alleen met Koninginnedag, het hoogtepunt van het jaar voor Rooie Nelis, zijn de muren leeg. De onderste rijen foto’s gaan dan in een doos, want die worden steevast gejat. Wim Sonneveld was al twee keer spoorloos, dus die hangt nu helemaal tegen het plafond. We kunnen rustig stellen dat Rooie Nelis tegenwoordig een politieke factor is. Oud-premier Balkenende hing hier in zijn studententijd regelmatig aan de bar en bij zijn laatste verkiezingen in 2009 kwam hij ten einde raad vanuit Rooie Nelis campagne voeren. En kort na diens aantreden stond burgemeester Eberhard van der Laan opeens voor Blonde Siens neus. ‘Godskolere, krijg nou wat,’ sprak ze, en gaf Van der Laan een zoen plat op de bek. De burgervader heeft later nog een portret van zichzelf laten bezorgen, voor aan de muur hier. Gerrit ontviel ons in 2019. Café Rooie Nelis sloot een paar maanden eerder.

Geplaatst op

Nr. 89 Dante

 

Tien jaar lang hield Herman Brood domicilie in Dante. Van 1992 tot aan de dag van zijn vlucht van het Hilton bewoonde hij er een atelier op de bovenverdieping, waar hij onder anderen Bono een keer ontving.
Beneden in het grand café gebruikte Herman zijn ontbijt van melk met crème de menthe (‘Hoef je je tanden tenminste niet te poetsen’).
We moeten eerlijk zijn: zonder Brood is Dante vlees noch vis, een grand café zoals zovele, een etablissement met een 8 op de schaal van Gaap. Maar met Herman was er altijd kans op rottigheid. Bart Chabot beschreef een ochtendje Herman bij Dante.

Woensdag, 28 december 1994

Herman drinkt zijn glas leeg en staat op. ‘Kom mee, naar buiten. Demonstratie.’
Vlak voor de draaideur steekt hij plotseling zonder om te kijken zijn hand achter zijn rug naar me uit. Er glinstert iets tussen zijn vingers. Ik kan niet zien wat. Tijd om na te denken is er niet, want Herman loopt door en de draaideur komt eraan. Ik pak het chroomkleurige ding van hem aan en hou een pistool in mijn hand. Een Reck, 9mm. Een kamer met zes patronen. Made in Germany.
De draaideur suist achter me langs. We staan op het terras. Er is geen stoel onbezet.
‘Jij gaat daar staan.’ Hij gebaart naar links, naar het stuk kale stoep voor het terras.
‘Jongen, moet je horen…’
‘Ga daar staan. En dan schiet je me neer.’
‘Herman, maar…’
‘Richten en schieten.’
Hij loopt het terras af, buigt naar rechts, loopt vijf meter door en draait zich om.
Ik sta voor het terras, in de volle zon.
‘Schiet.’
Het wordt doodstil om me heen. Ik hef het pistool.
‘Kom op, schiet.’
‘Het is een geintje,’ denk ik bij mezelf. ‘Een geintje. Inderdaad, een demonstratie. Het zijn losse flodders. Het bestaat niet dat…’
‘Schiet!’
Hoe heet dat in de taal van een spaghettiwestern? Mijn wijsvinger kromt zich om de trekker.
Geintje, denk ik. Maar wat als er geen losse flodders in zitten? Hij zal toch niet…? Godverdomme. Weet ik veel wat-ie voor kankerzooi heeft gebruikt, vandaag? En wat er in zijn kop is opgekomen? “Rock- ’n-roll, mythe, kranten, Kurt Cobain, Herman Brood levensgevaarlijk gewond na aanslag, Rob Scholte, Mark Chapman, het NOS-journaal. ‘Vanmiddag, even na twee uur, is de legendarische zanger en schilder Herman Brood in het centrum van Amsterdam voor de ogen van…’ Stel je voor dat ik de trekker overhaal en… Ik heb Herman Brood vermoord.
Er klinkt gegil, opzij van me.
Of probeert-ie me uit? Spuit het door mijn kop. Test hij onze vriendschap?
De ultieme proef. Wil-ie weten of ik een pistool op hem zou kunnen richten en de trekker overhalen. Ik heb Herman Brood vermoord. Of… Of wil-ie me laten zien wat ik met dit boek doe? Wat ik aanricht? Dat ik hem verkoop, zijn kleren verdobbel, een Judas ben?
Er staan mensen op, tussen de terrastafels. Mijn vinger spant zich om de trekker. Ik ben gewend om met vuurwapens om te gaan. Als dienstplichtige, bij de luchtmacht, heb ik vrijwel dagelijks met pistolen gewerkt.
‘Schiet!!’
Herman ziet er goed uit. Hij draagt een zwart pak. Wit smokinghemd. Puntschoenen met tijgervelmotief.
‘Schíét!!’
Ik weet precies wat ik moet doen.
Op het terras vallen een paar stoelen om. Ik zucht, haal diep adem en zet mijn adem vast, zoals ik in dienst heb geleerd.
Adem in, lucht vastzetten, stabiliteit. Het pistool komt omhoog. Zonlicht ketst af op de loop. Ik knijp één oog dicht, richt op een punt vlak boven Hermans hoofd en haal de trekker over, soepel.
Een oorverdovende klap. Uit de loop spuit een vuurstraal van zeker dertig centimeter.
Ik heb Herman Brood vermoord.
Het geluid kan niet weg: de klap kaatst tussen de huizen in de smalle Spuistraat heen en weer.
Hermans hoofd knakt op zijn borst. Hij wankelt, wil naar me toe komen, probeert dat ook, maar zijn voeten hebben in de weinige tijd die hun gegeven was geen overeenstemming weten te bereiken over de te volgen route en wijzen, onzeker geworden, ieder een andere kant uit; tot Hermans benen de last van zijn bovenlichaam niet langer kunnen schragen en hij op de stoep in elkaar zakt.
Op het terras springen mensen gillend overeind – ik zie hun monden opengaan, maar horen kan ik hen niet, verdoofd als ik ben door het schot.Ik heb Herman Brood vermoord.
De Spuistraat raakt verstopt. Portieren vliegen open. Ik zie de gezichten van enkele bestuurders boven de auto-daken verschijnen.
Ik laat het pistool zakken. Van het terras van café Luxembourg komen mensen onze kant oprennen.
Herman krabbelt overeind, loopt naar me toe en neemt het wapen van me over. ‘Goed, hè,’ zegt hij.
Godverdomme.
‘En dan had ik het zo gedacht…We gaan alle terrassen af, in Amsterdam. En dan met de pet rond.’

 Uit: Bart Chabot, Up on the Hilton Roof, De Bezige Bij, Amsterdam, 2011.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

,

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst op

Nr. 57 Bitterzoet

 

“En opeens was daar Bitterzoet. Koud open en onmiddellijk een begrip in de stad…”

 

We spreken over het barre jaar 2003. De stad ging gebukt onder een ernstig gemis

aan een dagelijks podium voor beginnend talent, bands en dj’s – een club tussen

Winston en Paradiso in. Tenminste, zo zagen de initiators van Bitterzoet dat, en geef

ze eens ongelijk. Ze namen een geflopte jazzclub over en even later was je oud, grijs

en passé als je niet in Bitterzoet kwam.

 

Vanaf dag 1 was Bitterzoet het clubhuis van De Jeugd van Tegenwoordig – ze gaven er ook hun eerste concert – en de scene die daarbij hoorde. Ontwerper Parra ontwikkelde overdag het design van nieuwe Nikes en had ’s avonds zijn eigen kruk in Bitterzoet. Gee van sneakerstore Patta schoof dan ook aan, net als de jongens van Appelsap en blogger Nalden. Voor de liefhebbers van hiphop en gympies was dat een aantrekkingskracht op zichzelf. Mudvol kan het er zijn. Op zo’n avond is het happen naar adem, zeker omdat de airco nog weleens dienst wil weigeren – een concept dat de Amerikanen kopieerden voor Guantánamo Bay. Niemand kan het iets schelen. Bitterzoet is een relaxte tent, met een lounge met pooltafel, plantjes en designbanken, én met een podium waar iedere avond iets anders fraais te beleven is. Van reggae en Braziliaans tot funk en hiphop of anders wel een dj. Zelfs de maandagavond – de Bermudadriehoek van het uitgaansleven – krijgen ze aardig gevuld door een bekende Nederlander achter de draaitafel te zetten. Henk Schiffmacher speelde dj en Theo van Gogh draaide er voor twintig man. ‘Zie je wel, ik heb geen vrienden,’ sprak hij en ging aan de bar zitten zuipen. In het gastenboek schreef hij: ‘Het leek of ik op mijn eigen begrafenis draaide.’ Twee maanden later werd hij vermoord. Jan Marijnissen, altijd een gewone jongen gebleven, draaide vooral rockmuziek en Wouter Bos wimpelde de uitnodiging aanvankelijk af, drukdrukdruk. Tot ook bij de PvdA doordrong dat Bitterzoet geen verkeerde plek was en opeens had hij toch een gaatje gevonden. Zijn playlist liet hij trouwens door een stagiaire samenstellen.
De club begon meteen een streng deurbeleid. Maar niet de sneakers en caps worden geweigerd – dat is ook wat bewerkelijk met die hiphopscene binnen – maar de overhemden en instappers kunnen het vergeten. ‘Corporalen komen als iets nieuw is, nemen het over, en gaan dan weer weg, dat wilden wij niet,’ zegt initiator Joris Bakker, een wijs man. Ook zonder ballen was de tent binnen een paar jaar volledig afgeragd.Elke avond een andere productie en steeds propvol, dan blijft er weinig design over van die banken. Maar de missie is allang geslaagd:

Amsterdam heeft zijn mini-Paradiso.

Geplaatst op

Boek Vaderschap

boeken voor aanstaande vaders

Zestien jaar geleden schreef ik een boek, genaamd: Help, ik heb mijn vrouw zwanger gemaakt. Het was een tussendoorboekje, zo zag ik het tenminste. Tussen Komt een vrouw bij de dokter en De Weduwaar in. Mijn uitgever en ik verwachtten er dan ook niet zoveel van,  maar het leek me leuk om tussen die twee emotionele romans in wat anders te schrijven. Even wat luchtigs, een boek over vaderschap. Het speelkwartier.

Mijn uitgever en ik zaten er helemaal naast. Van Help, ik ik heb mijn vrouw zwanger gemaakt! worden nu, zestien jaar later, nog elk jaar tien- tot twintigduizend stuks verkocht. Mannen blijven nou eenmaal hun vrouwen bezwangeren, zo gaan die dingen. En dan willen mannen een boek over het vaderschap, want wat nu?

boek vaderschap

Boek Vaderschap

Ik word regelmatig op straat aangesproken door mannen met kinderwagens, dat ik vriendelijk bedankt wordt, omdat ze dat ‘kutboek’ verdomme vier keer cadeau hadden gekregen met hun verjaardag. Ja, dan gaat het hard met de royalties, kan ik u zeggen. Deze week zat ik in de taxi met, naar bleek, mijn allergrootste klant ever. Mike, nogmaals dank namens mij, mijn kinderen en mijn accountmanager bij de bank.

Is het u ook toevallig overkomen? Heeft u uw vrouw bezwangerd? Nou dan heb ik er dus een leuk boek (vaderschap) over geschreven, misschien een goed idee als cadeau voor vaderdag!

PS: Help, ik heb mijn vrouw zwanger gemaakt is gesigneerd te koop, inclusief vadertas en die wil je, op mijn webshop. Leuk voor #vaderdag! Nu boek vaderschap te koop, gesigneerd.  (Inclusief vadertas)

Geplaatst op

Café Heuvel

Nr 56 Café Heuvel

“Café Heuvel is zo’n plek waarvan je je afvraagt waarom Onze-Lieve-Heer eigenlijk niet stopte met de schepping toen-ie hiermee klaar was.”

ALS IK SNEUVEL DAN BIJ HEUVEL

De mooiste slogan van de Amsterdamse horeca staat op de luifel van het café. Als er binnen dan ook nog eens bordjes hangen met teksten als: TOSTI BRUIN, TOSTI ZWART EN GRATIS KLONTJES VOOR UW PAARD of CAFÉ HEUVEL, OOK ZWEMMEND TE BEREIKEN mogen ze ons wat ons betreft op onze kop schijten.

Heuvel is de achternaam van de broers Jan en wijlen Joop, die de kroeg tientallren jaren hebben uitgebaat. Maar goedbeschouwd is het een naam met een logica waarvan niet valt te tornen. Probeer na een uur volle chasse doordrinken bij Heuvel maar eens uit stand een van de twee bruggetjes bij het café, die over de Spiegelgracht of die over de Prinsengracht, op te fietsen. De Tourmalet is er niks bij.

Buurtbewoners, galeriehouders uit het Spiegelkwartier en de senior-culturele garde komt slempen in heuvel. Nelly Frijda woont er zowat, André van Duin komt er weleens en de oudere kunstenaarsgarde uit Dé Kring ( nr 14) is er regelmatig te vinden. ( hetgeen tot nadenken stemt; als je je al te oud voelt voor De Kring, dan is euthanasie niet heel ver meer weg). Het mooie van Heuvel, naast die idyllische ligging aan de voet van twee bruggetjes van de buitencategorie, is dat het verscholen ligt in de periferie van het Leidseplein. Toeristen komen er wel, maar in therapeutische hoeveelheden. Van eentje hebben ze zelfs twee singels in de toch niet al te rijk gevulde jukebox. David Bowie. Daar hoort natuurlijk een mooi verhaal bij. Eigenaar Joop kende nogal wat goocheltrucs. Na een weddenschap pver een truc moest Bowie, die vergeefs probeerde te raden wat het geheim van de truc was, de vloer vegen. Hij heeft het gedaan.

Toeristen die Heuvel weten te vinden zijn hier altijd aan het goede adres voor een inburgeringscursus Mokumse gein. Een Amerikaan vroeg broer Jan een keer om een gebakken ei. Jan, de ongekroonde uitvinder van de practical joke, riep door de luchtpijp naar de denkbeeldige keuken: ‘Uitsmijter ham-kaas, ham meebakken!’ De Amerikaan wachten. En wachten. Op het moment dat de man even naar de wc ging, toverde Jan ergens een bord etensresten vandaan en zette dat op zijn tafel. Toen de arme man terugkeerde, haastte Jan zich wederom naar zijn tafel en vroeg met een stalen gezicht: ‘has everything been allright?’

Een laatste dan, en daarna gaat u er zelf maar heen. Een student stapte binnen. Of er werk was in het café. ‘Kun je tappen?’ vroeg Jan. De student knikte. ‘Laat eens zien,’ zei Jan. Hij maakte plaats achter de tapkraan en zag de student een niet onverdienstelijk biertje tappen.
‘Mooi,’ zei Jan, ‘je bent aangenomen. Succes, ik ben vanavond om een uur of twaalf weer terug,’ de student achterlatend in een bomvol café.
Om half een keerde Jan, die zelf geen drupel dronk, zogenaamd dronken terug. Zwalkend liep hij zijn eigen café binnen en vroeg om een bier. De student tapte een boiertje, waarop Jan, plots geheel nuchter, zei: ‘Je bent ontslagen. Dronken mensen mogen geen bier hebben.’
De student mocht overigens niet vertrekken voor Jan zelf met de pet rondgegaan was en hem een vette buit had bezorgd.

Mooie mensen, daar in Heuvel.

Smaakt dit naar meer? De super de luxe uitgave van deze klassieker is nú hier te bestellen!

PS ( Tegenwoordig wordt Heuvel met evenveel enthousiasme uitgebaat door Robert Jan ten Brink)