Leestijd: 2 minuten

Café De Zwart bestaat 100 jaar! Twee decennia lang was dit café de huiskamer van A.F.Th. van der Heijden en zijn hofhouding. Al wenst A.F.Th. het woord hofhouding graag te nuanceren.
‘Goed, op de avonden dat ik hof hield bij café De Zwart, kon men aan mijn tafel nogal eens dezelfde personen aantreffen. Een leider heb ik in dit heterogene gezelschap nooit kunnen ontdekken. Mijn probleem is dat ik nooit de spelbreker wil zijn door als eerste uit een drinkgezelschap op te stappen. Opeens is het elf uur, half twaalf. De samenstelling van de stamtafel blijkt sinds zes uur acht of negen keer te zijn veranderd, met als enige constante de man die de hectische gezelligheid niet wilde ontwrichten. Een dergelijke gang van zaken kan tot een hoge caférekening leiden.’

Maximaal laadvermogen
‘Mijn tempo past zich aan aan de groep. Ik schat dat ik in mijn beste tijd, op zware avonden, twaalf rechte glazen bier aankon, afgewisseld door een drietal wodka’s (als die tenminste zo ijskoud waren dat het glaasje aan mijn onderlip bleef plakken).’

Magneet
‘Ik vond het altijd zonde om pas in de loop van de avond naar De Zwart te gaan. Des namiddags vijf uur, op zijn laatst half zes: dan zag je, als participant, hoe het happy hour werd opgebouwd. De Zwart was altijd een café waar je niet met iemand afsprak: zo en zo laat, en daarna uit eten. Nee, je liet je verrassen door het pakket aanwezigen. Kansberekening kreeg hier geen vat op. Als door een soort sociale magneet werd op sommige avonden het merendeel van de stamgasten naar het Spui gezogen. Op andere avonden stond je, jezelf verbijtend, door het grote raam over het plein uit te kijken.’

Misdragingen
‘Natuurlijk waren het altijd de anderen die zich misdroegen, tegenover mij – en dat haalde dan weer het slechtste in mij naar boven. Op een rustige avond stond opeens een kale, gedrongen gestalte naast onze tafel. Blijkbaar was dit freelancejournalist Micha Kat, een beroepsidioot, die ook buiten zijn digitale werkvloer niet met schelden kon ophouden. Toen ik er genoeg van kreeg, heb ik Micha Kat in een soort zelfbedachte houdgreep genomen, met de bedoeling hem met zijn kop door de glazen deur te rammen. Terwijl ik de kale kruin op weg zag gaan naar het glas, werd de praktische geest weer over mij vaardig. De ruit kon immers breken, en dan? Een slagaderlijke bloeding, kleren onder het bloed, hoge stomerijkosten, en niet te vergeten een exorbitante caférekening voor het vervangen van de ruit. Ik volstond ermee zijn hoofd bonzend met het glas in aanraking te brengen, min of meer als waarschuwing. Buiten bleef Micha Kat, zijn fiets aan de hand, nog even na staan schelden. Hij had niet eens een buil. Mijn oude fout: extreme mildheid tot ver over de linies.’

Uittrede
‘Mei 2010 verongelukte Tonio. Met hem bracht ik gedurende de jaren negentig elke zaterdag wel een uurtje of twee bij De Zwart door, waar hij dan aan een tafeltje zat te tekenen of een onderdeel van technisch lego in elkaar zette. Sinds zijn dood kom ik vrijwel nergens, laat staan in het café. Ik sluit niet uit dat ik op een dag weer gewoon het tochtgordijn opzij sla, en een beetje onwennig op mijn oude plekga zitten. Waar waren we gebleven?’