Beste Willem,

 

Ik ben sinds een tijdje aan het trainen geslagen. Dat was nodig. Voor je het weet zie je eruit zoals jij en dat was toch wel een schrikbeeld. We zijn beiden van middelbare leeftijd, daar helpt geen hippe cap of designerjeans aan (echt niet, Willem). Maar onze leeftijd hoeft niet geschreven te staan op ons voorhoofd. Of op onze buikjes.

Afijn. Op een ochtend ontwaarde ik bij mezelf in de spiegel een zekere neiging tot corpulentie. Mijn dochters hadden me er al eens op gewezen, maar die slaan wel vaker onzin uit (zo beweerden mijn oudste dochter laatst met de grootste stelligheid dat die grijze borstharen in de douchebak van mij waren en niet van Roos, Lola of Nicole, zoals ik opperde), dus ik sloeg er geen acht op. Diezelfde week zat ik bij Fox Sports aan tafel bij een Champions League-wedstrijd. Vraag me niet waarom, Willem, ik heb net zoveel verstand van voetbal als een inboorling van raketafweersystemen, maar het schuift lekker en ik heb ook drie kinderen te voederen, dus als Fox je daarvoor vraagt, schuif je aan en geef je je bek af en toe een douw, zo simpel kan het leven zijn.

Ik zat die avond naast Frank de Boer. Frank is nog steeds zo strak als in de tijd dat hij de ballen over vijftig meter op de stropdas van Dennis Bergkamp legde. Geen grammetje. Mijn vriendin zei die avond toen ik thuis kwam, dat ik op tv misschien volgende keer niet meer ‘dat overhemd van vanavond’ aan moet trekken. Dan weet je genoeg, Willem.

Tijd om Arie te bellen. Je kent Arie wel, het is die grote man met een grote baard, hij doet in sportscholen. Beetje louche branche en daarom heeft Arie als dekmantel ook een carriere als televisiemaker en presenteert hij zichzelf in de media als gelovig Christen. Dan verdenkt niemand je meer van duistere zaakjes, dat hadden Michael Corleone, Tony Soprano en de paus in hun tijd al door.

‘Arie, ik heb dringend hulp nodig. Liefst word ik nog vandaag opgenomen. Heb je nog een plekje in een van jouw klinieken? En kan het anoniem?’

‘Tuurlijk, Kluun. Maar dan heb je wel een personal trainer nodig, anders wordt het niks.’ Arie kent zijn pappenheimers. ‘En laat ik nou iemand hebben van wie ik denk dat jij er wel een klik mee hebt.’

Arie’s sportschool is op de Wibautstraat, in een gebouw waar tot voor enkele jaren club Trouw gevestigd was, een plek waar ik ooit ieder weekend middels vele baco’s, wodka-redbull’s en biertjes zorgvuldig aan mijn uiterlijk gewerkt had. Bij de receptie stond een afgetraind meisje in een strakke glanzende legging en een zwarte tanktop. Daar zal je d’r hebben, dacht ik. Arie heeft mensenkennis.

‘Ben jij Kluun?’ klonk plotseling een zware mannenstem achter me, ‘ik ben je trainer.’ Enter Bjorn. Twee meter acht lang, één meter vijf breed, karikaturale spierbundels in nek, armen en schouders. Om bang van te worden. Ik zag het al, Bjorn was niet het type die je ‘s ochtends belt met de mededeling dat je je niet joho voelt en een dagje overslaat.

Of ik wat wilde drinken.

‘Doe maar een cola.’

‘Pardon?!?’ Bjorn keek alsof ik zojuist om een exemplaar van Mein Kampf had gevraagd.

‘Zei ik cola? Ik bedoelde uiteraard zo’n sapje daar,’ wees ik naar een bezwete man die net een glas met iets groenachtigs naar binnen stond te gieten.

Twee uur later lag ik thuis op bed. Uitgewrongen. Niet meer in staat te praten. Als dit soort trainingen in China zou worden gegeven, zou Amensty International er een campagne tegen beginnen.

We zijn een halfjaar verder. Bjorn en ik treffen elkaar twee keer per week in Arie’s martelkelder. Als we bezig zijn kijk ik af en toe op de klok. Nog twaalf minuten. Nog acht.

‘Goed getraind, Kluun,’ zegt Bjorn dan, en knijpt er liefkozend bij in mijn schouder. ‘Je was sterk.’ Met een hoofdknik bedank ik hem dan. Meer komt er niet uit. De fietstocht naar huis is lang en de Nieuwe Amstelbrug voelt als de Col de Madeleine.

Ik heb de vrijheid genomen hem jouw naam en adres te geven, Willem. Bjorn haalt je maandagochtend om zeven uur op. Maak voor de rest van de dag maar geen andere afspraken.