/ Zo liggen de verhoudingen dus

Ik kom uit Tilburg, maar als kind was ik al Ajax supporter. De eerste wedstrijd die ik me kan herinneren is de Europacupfinale van 1972. Ajax-Inter, in de Kuip, 2-0. Ik bekeek hem voor de televisie, in mijn Ajax-pyjama van de SRV-man.

Rond die tijd ging ik voor het eerst ook mee naar een echte voetbalwedstrijd, met ome Ton en mijn neefje Marcel. Het was geen Ajax-Inter, maar Willem II-Fortuna SC. 0-1 voor Fortuna in de 89e minuut.

In de jaren daarna sloeg ik geen thuiswedstrijd van Willem II over. Mijn liefde voor Ajax beperkte zich tot de televisie, Ajax was als Brigitte Bardot: mooi, maar onbereikbaar ver weg. Willem II was als Beppie Donders, mijn eerste vriendinnetje: lelijk, maar bereikbaar. Ik kocht een seizoenkaart voor Willem II. De ploeg speelde jaar in jaar uit consequent in het tweede rijtje van de Eerste divisie uit. In het Gemeentelijk Sportpark in Tilburg zaten iedere twee weken zo’n anderhalfduizend jongens en mannen die allemaal wisten dat het niets was en niets werd, maar toch bleven gaan. In de psychologie staat dit bekend als chronisch masochisme, ook wel genoemd het Feyenoord-syndroom.

In 1979 werd ik beloond voor mijn trouw. Willem II promoveerde, met mannen als Martin van Geel, Bud Brocken. En John Feskens, bijgenaamd d’n beitel, een bijnaam die hij verworf vanwege zijn indrukwekkend vooruitstekende kin. Er zijn veel lelijke Tilburgers, maar John Feskens was van de buitencategorie.

De hele zomer leefde ik toe naar het eerste seizoen dat ik Willem II in de Eredivisie zou zien spelen. In de eerste wedstrijd kwam Ajax op bezoek in Tilburg. Dat bood perspectief. Ajax was geen schim meer van het grote Ajax waar ik als kind in mijn SRV-pyiama fan van was. Willem II zou ze eens een poepie laten ruiken!

We verloren kansloos. Bij 1-3 geloofde Ajax het wel. Henning Jensen (2x) en Kees Zwamborn scoorden. Ze juichten nauwelijks bij de doelpunten en dat deed nog het meeste pijn. Ik was vijftien, het was mijn realitymoment als Willem II-supporter.

Zo lagen de verhoudingen dus.

 

Vanaf mijn zestiende ging ik vrijwel iedere week met de trein vanuit Tilburg naar Ajax. Verplichte combireizen bestonden nog niet, ik ging op de bonnefooi naar de Meer, het Olympisch, Monnikenhuizen, Spangen, de Galgenwaard, de Goffert en De Vliert. Uitverkocht was het toch nooit.

Eind jaren tachtig ging ik in Amsterdam wonen. Ik kocht een seizoenkaart in de Meer en werd nu sneller beloond dan als kindsupporter van Willem II: ik had mijn eerste seizoenkaart nog niet of Ajax’ tweede glorietijd brak aan. Eerst nog voorzichtig met de UEFA-cup, de 1-1 tegen Torino in het Olympisch Stadion. In de jaren erna speelden we sciencefiction voetbal en waren de beste van Amsterdam, Rotterdam, Eindhoven, Europa en de wereld.

Intussen beleefde Willem II onder Co Adriaanse zowaar ook een glorietijd. Het Ajax van het Zuiden werd een keer derde en speelde zelfs Champions League. Ik zag het vanuit Amsterdam vertederd aan, wetende dat het succes van een kleine club als Willem II nooit lang zou duren.

We zijn twintig jaar verder.

Bij Ajax is de fluwelen revolutie mislukt. Uitgeschakeld in de voorronde van de Champions League. De kopppositie kwijt in de Eredivisie. In de Europa League uitgeschakeld. De tribunes steeds leger. Het voetbal niet om aan te zien. Het chagrijn groeit. Heel soms leven we op en teren we maanden op een overwinning op het B-elftal van Barcelona.

Een club als Stoke City heeft meer geld en toekomst dan Ajax.

Spelers van Europese topclubs juichen amper als ze scoren tegen Ajax.

Langzaam begint de realiteit tot me door te dringen.

Zo liggen de verhoudingen dus.

 

Naar boven