/ Zeurallergie

Vroeger had ik er een bloedhekel aan wanneer mijn ouders zeurden dat ik iets moest doen of juist niet mocht. ‘Drink vanavond nou niet wéér zoveel, de vloerbedekking is net schoon!’ ‘Moet jij niet studeren?’ ‘Je houdt toch niet die broek aan, hè?’ Als ik ook maar een poging tot zeuren meende te ontdekken, werd ik al chagrijnig. Op slecht weer kun je je kleden, op gezeur aan je kop niet.

We kunnen rustig spreken van een allergie voor alles wat ook maar in de buurt komt van zeuren, zaniken of zeiken.

‘Kluun, moet jij wat drinken?’

‘Ik moet helemaal niks!’

Als ik in een vrouw ook maar een latent zeurrisico meende te ontdekken, was dat voor mij al het begin van het einde. Vragen als ‘Zullen we zo ’s naar huis gaan, het is morgen weer vroeg dag?’, ‘Maar we hebben toch helemaal geen geld om op wintersport te gaan?’, ‘Zullen we eerst even de vaatwasser inruimen?’ en ‘Hoe laat denk je dat je ongeveer thuis bent?’ brachten de relatie al in gevaar.

Het werden korte relaties.

Ik weet wel waardoor het komt, mijn allergie voor gezeik. Door mijn oma. Die had het tot kunst verheven. Niets of niemand deugde. Wij niet, het leven niet, het weer niet, wijlen mijn opa niet, het bejaardenhuis niet, het eten niet, de verpleegsters niet en de huisarts niet.

Die huisarts gaf haar jarenlang, met medeweten van mijn moeder, placebopoedertjes om van haar gezanik af te zijn, en de verpleegsters in het bejaardenhuis werden gek van het mens.

Altijd ziek of onderweg en het werd met het jaar erger. Op de dag dat mijn oma echt een aanval van benauwdheid kreeg en in blinde paniek op de alarmbel drukte, ging het verplegend personeel vrolijk verder met koffiedrinken.

Even later was mijn oma dood.

Gestorven aan chronisch zeuren.

Naar boven