/ ‘Nou man!’

Ik loop, net als zovelen, al een hele dag met een onbestemd blij gevoel en een grijns op m’n kanis. Heb al drie keer de beelden teruggekeken van de laatste tien minuten in Gelsenkirchen gisteren. Natuurlijk hadden ze er zo uit kunnen liggen. Natuurlijk was het slecht. Maar dit team, met die jochies, met dat geweldige voetbal van vorige week en die Return of the Living Dead gisteren, maakt me zo trots.
De eerste wedstrijd die ik me als jochie herinner was Ajax-Internazionale in 1972. Cruijffie maakte er twee en Ajax won de Cup.
 Ik herinner me de wederopstanding na dertien jaar tweederangs voetbal, totaal tegen de algeheel heersende opinie in.

Ajax-voorzitter Ton Harmsen had halverwege jaren tachtig in een interview gezegd dat het onmogelijk was dat Ajax nog ooit een Europese prijs zou pakken in de wereld van het grote Europese geld.
Vooral die onverwachte, tegen-de-stroom-in-Cups in 1987 en 1991, die gaven me het geloof dat Het Dus Wel Kan Godverdomme.

Cruijff als trainer, die tegen Malmö een piepjonge Dennis Bergkamp opstelde, waarover we in de rust grappen maakten dat Van Gaal even met zijn moeder had gebeld of Dennis nog ietsie langer mocht opblijven om de tweede helft mee te kunnen spelen. Met Frank Verlaat (17) in de basis in de finale, Marco van Basten die in een halfleeg stadion in Athene scoort en Ajax de rationeel weinigbetekende maar emotioneel allesbetekende Europacup II bezorgde.
Ik herinner me de Europese veldtocht van Louis van Gaal in 1992 tegen AA Gent, Genua en Torino, met de bal op de lat boven Menzo, in de laatste minuut, vlak voor onze neuzen in het Olympisch Stadion.

En ja, natuurlijk herinner ik me ook de gloriejaren van de godenzonen, waarin we Real Madrid, Bayern Munchen en AC Milan wegspeelden. When We Were Fab 2.0.

Misschien verliezen we zondag van PSV. Misschien laat Olympique Lyon ons alle hoeken van het veld zien.
En misschien, of als ik het diepe gevoel van veel Ajacieden verwoordt, wordt Feyenoord verdiend kampioen.
Op het pontje terug van de ADAM toren, waar ik de wedstrijd had gekeken en nu met twee maten dronken van geluk terug ging naar CS, kwam een jonge Marokkaan met Ajax shawltje op een scooter me tegemoet. Hij zag dat ik zijn shawl zag. In mijn ‘lekker, hè’ en zijn ‘nou, man!’ zat alles wat Ajax Ajax maakt en mij al sinds ik in een Ajax-pyjama van de SRV-man naar Cruijffie’s twee goals tegen Internazionale in 1972 keek.
Zo trots op die jonge gassies, op Ajax en waar Ajax voor staat. De bluf, het bravoure, de eigenzinnigheid, de jeugd, de afgedwongen mazzel.
Het Kan Dus Wel Godverdomme.

Naar boven