Ik ontdekte Twitter zo’n drie jaar geleden omdat er een of andere mafketel onder de naam Kluun van alles over kinderen aan het roepen was. Ik zal niet in details treden, maar het was behoorlijk pornografisch. Nu was het gelukkig maar kinderporno, maar toch. Voor je het weet gaan je kinderen later bij een psycholoog gekke tekeningen maken.
Hoe dan ook en desalniettemin: voor ik goed en wel snapte wat dat hele Twitter nou was, had iemand mijn naam al gejat. Als je A.F.Th. van der Heijden heet (driekwart van de Aktueel lezers heeft geen idee over wie ik het nu heb), schrijf je daar meteen een roman over waar geen eind aan lijkt te komen, maar ik wilde gewoon mijn naam terug.
Op hoge poten trok ik ten strijde. In gestrekte draf op het Twitter Service Center af. U dacht dat het moeilijk was om bij de telefonische klantenservice van UPC, T-Mobile of hun branchegenoten iets gedaan te krijgen? Bij Twitter Inc. anno was 2009 gewoon nada, nobody, niemand te vinden die antwoord kon, wilde en mocht geven op kwesties die verder gingen dan #durftevragen. Het was eenvoudiger om met twee Marokkaanse vrienden binnen te komen in de RoXY in haar hoogtijdagen dan met een vraag over Twitter in het Twitter Service center. Pas na weken van mailen, bellen, twitteren en soebatten kreeg ik de naam Kluun terug.
Had ik het maar nooit gedaan. Nog geen uur nadat ik mijn eigen naam had herkregen, had ik een account aangemaakt en mijn eerste tweet verzonden. Nu ben ik 7565 tweets aan 53.457 volgers verder. Zelf volg ik 54 mensen. In de gewone wereld heet zoiets narcisme, in de social media-wereld staat het quotient van het aantal volgers dat je hebt, gedeeld door het aantal mensen dat jij zelf volgt, voor je status. Als dat getal kleiner is dan 1, dan heb je een klein twitterpikkie (of in het geval van Facebook: een kleine facebookfallus), is dat getal groter dan 1, dan heb je een twittertampeloeris om @ tegen te zeggen. Met 53.457 followers en 54 following is mijn quotient 989,94444444444 schoon aan de haak. Waarvan akte.
Dagelijks hou ik bij hoeveel nieuwe volgers ik heb. Ik vraag me af wanneer de eerste Postbus51-spotjes komen om ons, in het kader van de volksgezondheid, voor Twitter-verslaving te behoeden. Dat je op een website en brochures in de wachtkamers van huisartsen kunt lezen dat je in de gevarenzone zit als je meer dan vijf dagen per week twittert, en dat je een probleemtwitteraar bent, als je in totaal meer dan dertig tweets per week stuurt. Of dat je een twitterholic bent als je vrouw en je vrienden je op je twittergedrag aan gaan spreken, vaak niet meer weet of wilt weten hoeveel je getwitterd hebt de dag ervoor of als je steeds vaker stiekem twittert, vanonder de tafel.
Ik ben bang dat het voor mij al te laat is. Ik betrapte mezelf er vorige week op dat ik me op straat aan iemand als @Kluun voorstelde. Als ik citeer uit een film of tv-programma dat ik de avond ervoor heb gezien, begin ik met RT te zeggen, om maar duidelijk te maken wie de eer van de uitspraak toekomt. Ik merk dat ik, als ik thuis iets tegen mijn oudste dochter zeg, mijn zin begin met ‘@Eva’ en mijn vrouw me ooit vertelde me dat ik haar in mijn slaap mompelend @lekkerding had genoemd. Ik merk dat ik midden in zinnen stop met praten omdat ik vermoed dat ik over de 140 tekens ben. En ik laat mijn grappig bedoelde one liners de laatste tijd voorafgaan door ‘hashtag’ en spreekdanallewoordenachterelkaaruitzonderpauzetenemen.
Mijn beste vriend dreigt om me naar een afkickkliniek te sturen als ik niet onmiddelijk een twabbatical neem. RT: ‘om je tegen mezelf te beschermen, @kluun.’
Ik dank @God voor mijn @bestevriend. #amen.
(deze column stond in het decembernummer van Aktueel, een blad vol schieten, tieten en helicopters)


