Twitter laadt...

KLUUN
De hogati

30 July 2012 - 09:32

De hogati
Als je geboren bent in Tilburg moet je daar je hele leven mee leven. Ik woon er al ruim vijfentwintig jaar niet meer, maar nog altijd kan ik woorden waarin een dubbele á wordt gevolgd door een i (aaien, draaien, zaaien, paaien, haaien, laaien) niet uitspreken – uit de mond van een Tilburger wordt de ‘áái’ iets onnavolgbaars als ‘aoi’ (uitzondering: het woord ei wordt door Tilburgers dan weer wel uitgesproken als ‘áái’). Woorden als mensen, wensen en lenzen leveren ook problemen op met de Tilburgse tongval: bij ‘ens’ komt er dan, zo begrijp ik van mensen die wel ABN hebben leren spreken, iets uit waar zelfs fonetisch geen letters in het alfabet beschikbaar voor zijn. De klank schijnt nog het meest te lijken op het geluid van een grammofoonplaat die te lang in de zon heeft gelegen en daardoor zo krom als een hoer (dat is ook een Tilburgse uitdrukking, vraag me niet naar de oorsprong ervan) is geworden.
Wie wil genieten van het mooiste dialect binnen onze landsgrenzen, reist het beste in de laatste week van juli af naar Midden Brabant. Dan is al het moois dat de schôônste stad van ’t láánd te bieden heeft, samengebald in één week, een week waarin de stad het epicentrum van de westerse beschaving is: de Tilburgse kermis, de grootste van Europa. Het spreekwoordelijke modegevoel van de Tilburger, de ongeëvenaarde architectuur van de Tilburgse binnenstad, de grandeur van de Hully Gully en de botsauto’s, de wereldberoemde Tilburgse haute cuisine (start met een Broodje Jantje, ga dan over op een overdosis oliebollen en top het af met een pond paling en een plons bier ter grootte van de Piushaven) en vooral het rijke taalgebruik van de Tilburger.
Voor wat betreft die taal: vrees niet. Met wat handen en voeten komt u ver, Tilburgers zijn buitengewoon gastvrije en behulpzame mensen: er is altijd wel iemand in de buurt die Nederlands heeft geleerd in het buitenland.
Eén tip geef ik vast. Een van de hoogste attracties is de hogati, het ding dat in de rest van Nederland (maar wat weten ze daar nou van kermis) ook wel eens het reuzenrad wordt genoemd. Ik heb bij het schrijven van deze column vergeefs gezocht naar het woord hogati in de Dikke Van Dale. Ook hoogaatie, hoog-gaat-ie en andere verbasteringen ontbreken. Een hiaat van formaat in de Dikke.
De Tilburgse kermis is voorbij. Volgend jaar is-ie er weer. Inclusief de hogati.

doorsturen reageren
Een kop als een hoefijzer

21 July 2012 - 07:57

In Nederland was het geen feest de afgelopen weken (ik hoop dat u niet vergeten bent de buitenkraan af te sluiten in de nachten dat het vroor), maar aangezien ik inmiddels ook weer solidair ben en samen met u de Nederlandse herfst van 2012 probeer te trotseren, durf ik nog wel een strandverhaal te vertellen.
Es Cavallet op Ibiza is een strand waar Edwin Smulders en collega’s niet komen, waar de dj lekkere muziek draait, fijne bedjes staan en jongens in witte hemdjes de hele dag door met drankjes door het mulle zand rennen, om de mensen die het toch al zo moeilijk hebben op hun bedjes, met al die zon en dat zand en dat geruis van de zee, van drank te voorzien. De enige zorg die je op Es Cavallet hebt is het bedenken of je die jongens zo meteen een glas of een hele fles rosé laat brengen.
De jongens, de meesten van hen Argentijnen, Fransen en Spanjaarden, werken in juli en augustus meestal twee weken achtereen, hebben dan een dagje vrij en geven dan weer twee weken gas. Ze lachen altijd.
Naast ons lag een Nederlandse vrouw twee uur op het strand met een gezicht dat deed vermoeden of ze in de plenzende regen stond te wachten op de bus.
Zij lag op een bedje, haar man en haar twee kinderen op handdoekjes naast haar.
Haar kinderen waren zoals kinderen zijn. Dan weer lachen, dan weer even jengelen en verveeld zijn en daarna weer blij en vrolijk. Geen kinderen waarbij je SBS6 moet bellen om de Opvoednanny lang te sturen. Aan de man lag het ook niet, zo te zien. Misschien had hij haar die ochtend iets heel ergs aangedaan wat niet met het blote oog zichtbaar was, je weet het niet.
Alles aan de vrouw stond op herfstweer en zo te zien zou het in Nederland eerder zomer worden dan op haar gezicht. Per toerbeurt snauwde ze haar man en dan weer haar kinderen af. De man begroef zijn hoofd verder in zijn hoedje en huldigde de tactiek dat buien soms weken kunnen aanhouden, maar dat er eens een eind aan komt.
Hij had het fout.
De vrouw had een bek als een hoefijzer en de rimpels om haar mond heen verraadden dat ze in haar leven al heel wat dagen had doorgebracht met haar mond in dezelfde stand. De weersverwachtingen voor de komende dertig jaar waren niet gunstig.

doorsturen reageren
Ge ken nie alles kóópe, hôr!

18 July 2012 - 14:28

Ik zat vorige week op Ibiza, om een beetje aan mijn boek te werken en om er voor u deze column te schrijven. Om de tijd te doden zwem, zon, drink en eet ik tussendoor wat. Mensen vragen me vaak wat ik er toch aan vind hier, of het er niet stikt van de Nederlanders.
Jawel, maar over het algemeen vind ik het type Nederlander dat op Ibiza komt wel een leuke Nederlander. Veel van mijn vrienden zitten hier de halve zomer en als ik die vrienden niet leuk vond waren het immers niet mijn vrienden.
Ook vraagt men regelmatig of je hier als Bekende Nederlander wel rustig rond kunt lopen, zonder dat Edwin Smulders ergens achter een struik ligt of Ferry de Kok in een boom hangt (dat lijkt me fysiek sowieso onmogelijk, zowel voor de boom als voor Ferry).
Thuis, in het luxereservaat Oud Zuid word je door fotografen meer gestalkt dan hier, maar daarnaast ben ik niet zo interessant als Estelle, Patty en Gordon. Bovendien kom ik zelden op Calle Jondal.
Calle Jondal is in de zomermaanden de hang out van BN’ers, penose en paparazzi. Bij Tropicana komen onze voetballers, hun voetbalvrouwen en voetbalkinderen, en Blue Marlin is de plek met de meeste borstvergrotingen per vierkante meter van het westelijk halfrond en omstreken. Het is er vaak druk.
Twee jaar geleden keek ik er samen met honderden Spanjaarden en Nederlanders naar de WK finale. De uitslag ben ik vergeten, maar niet de VIP-ruimte, die in het midden voor het scherm was geplaatst. Op de witte loungebanken zaten types die, laten we het voorzichtig zeggen, helpen de economie van Columbia flink draaiende houden. Men dronk geen bier, maar magnumflessen champagne. Mijn ergernis groeide die avond niet alleen door de gemiste kans van Arjen Robben.
Naast me stond een man die zich eveneens met de minuut meer stond op te vreten. Hij kwam, zo hoorde ik aan zijn accent, uit de buurt van Breda. Toen twee van de dames in de VIP, beiden met een cupmaat die tot ergens ver achter in het alfabet reikte, weer opstonden om uitgebreid en langdurig hun glas bij te laten vullen en zo het zicht op het scherm van de rest van het publiek ontnamen, kon de Brabander zich niet langer inhouden. Toen het even helemaal stil was, riep hij die dodelijke zin, een zin die zo bijgeschreven kan worden in de eregalerij van de grootste filosofische uitspraken aller tijden: ‘Éé! Ge ken nie alles kóópe, hôr!’

doorsturen reageren
Vissen

2 July 2012 - 08:43

Jacques was een mannetje. Geen mars-, maan- of Michelinmannetje, maar een Limburgs mannetje: 1m70 (om en nabij, ik heb hem nooit gemeten), altijd keurig in het pak, haartjes strak naar achter, zwierige bewegingen (krijg je met dat heuvelachtige landschap), immer Bourgondisch goedgeluimd en welbespraakt. Ik ontmoette hem op een maandagochtend in september 1986, in Maastricht. Het was de eerste dag van de sales training van de Gouden Gids, ergens in een kantoor in de binnenstad vlakbij het Vrijthof.
Jacques en ik, en met ons nog een batterij bloedfanatieke leden van de HEAO-Jugend, allen twintigers, zouden drie weken lang de vermaarde verkooptraining van de Gouden Gids volgen. Als je die tot een goed einde bracht, en de structuur van het verkoopgesprek maar volgde, kon de prospect uiteindelijk niet anders dan ja zeggen.
We waren gelokt met een Ford Sierra en een salarisworst van 4.800 gulden per maand plus provisie: in vergelijking met onze afgestudeerde bloedbroeders van de HEAO een riant salaris. En een gigantische kutbaan, maar daar kwamen we pas achter in de weken na de sales training, maar ach, het was crisis, het was een eerste baan en voor ons dertigste zouden we de boardroomfuncties van multinationals voor het uitkiezen hebben. Lees: we waren zelfingenomen kwalletjes.
Aan mij zag je dat niet op het eerste gezicht, aan Jacques wel. Hij was een jongere versie van Bram Moszkowicz, iemand die een decennium of twee te vroeg oud was, met zijn bekakte accent, zijn bewegingen en zijn pakken.
Jacques liet zich graag uitlachen om zijn manier van praten en kleden. ‘Ik heb dit weekend een blauw pak gekocht. Dat wilde ik al lang, een blauw pak. Ik wil mijn kast open kunnen trekken en denken, fijn, daar hangt een blauw pak.’
Soms moest Jacques Met Zijn Blauwe Pak voor werk naar Amsterdam. In die tijd was het verschil tussen stad en provincie ondenkbaar veel groter dan nu. De gemiddelde Amsterdamse twintiger was blond, had een lok en een mat, een trui die in de lichtblauwe wortelmodel spijkerbroek werd gedragen, een grote bek en hij verveelde zich de typhus. ‘Ik verveel, ik verveel, ik verveel, ik verveel en ik verveel me zo in Amsterdam Noord,’ zong Harry Slinger en dat Noord had-ie er rustig af kunnen laten. Nog een geluk dat Ajax om de twee weken een zootje boeren op bezoek kreeg om mee te matten, dat er elke week wel ergens in de stad een ontruiming was en dat er met wat zoeken best nog wel wat muren in de stad te vinden waar nog plek was voor wat verse graffiti, anders waren de dagen helemaal niet om door te komen.
Dat was het Amsterdam waar Jacques uit Limburg zijn Ford Sierra parkeerde in de garage bij de Bijenkorf op het Damrak. Het regende, maar dat deerde Jacques niet. In Zijn Blauwe Pak, 1m70 hoog, het haar strak naar achter gekamd, met in zijn ene hand een buitenformaat Samsonite aktekoffer en in zijn andere een paraplu die je krijgt op golfdagen van bedrijven, liep hij met ferme pas langs het water bij het Damrak. Twee Amsterdamse lok-met-mat jongens kwamen hem tegemoet. Hij zag ze zijn golfparaplu en zijn aktekoffer checken en verstevigde zijn greep iets, je kon niet voorzichtig genoeg zijn in de jaren tachtig.
Bij het passeren wierp de ene jongen Jacques een blik toe, knikte naar zijn koffer en paraplu en sprak dat zinnetje dat tot op de dag van vandaag in mijn hoofd zit als het symbool van de kloof tussen stad en provincie, een dodelijk zinnetje waar geen Ford Sierra, 4.800 gulden, nee zelfs geen blauw pak tegenop kon.
‘Hé… Gao je fissen?’

doorsturen reageren
Archief
Zoeken

 
website statistieken
free counter