Er was eens, lang geleden in een land hier heel dicht bij, geen internet en ook geen Facebook, geen Twitter en geen mail. De mensen leefden gelukkig. We werden nog wel eens Europees kampioen, er zou nooit meer crisis komen en als je eens twee minuten later op een afspraak dreigde te komen, dan hoefde je niet nerveus te gaan sms’en dat je er heus aankwam, want sms bestond nog niet. De gsm trouwens ook niet. (NB: Iedereen kwam in die tijd op tijd, anders liep je het risico dat de ander hem al weer gepeerd was en daar had je zelf last van).
Stadionconcerten bestonden al wel, in voetbalstadions waar slechts een paar honderd eretribunetypes een dak boven hun hoofd hadden. De rest van het stadion was overgeleverd aan de elementen.
Ik heb er wat meegemaakt, van die elementen. Stortbuien, wolkbreuken, slagregens, hagelstenen, sneeuwstormen: al wat naar beneden kan vallen, heb ik op mijn kop gehad in de Kuip, het Olympisch Stadion, de Meer en in het oergezellige Gemeentelijk Sportpark in Tilburg.
Hoewel de eenentwintigste eeuw al even op gang is, bestaat regen nog steeds. Edoch, met buienradars, Weatherpro’s en overdekte tribunes hebben we de elementen aardig onder controle. Natregenen is zó twintigste eeuw.
Vorige week was ik in Manchester, voor een concert van Bruce Springsteen. Ik was samen met enkele andere hard-core fans, en dan wil je in de pit staan. De pit, dat is het voorste gedeelte van het veld, waar met een concert zo’n duizend man in plaats mogen nemen. Of vijfhonderd, dat weet niemand.
Om in die pit te geraken moet je ‘s ochtends, of ’s middags, dat weet niemand, een polsbandje halen. Om dat ding te verkrijgen word je dan weer geacht om weer uren daarvoor een volgnummer op je hand te laten zetten. Hoe verder onder de duizend, hoe groter de kans dat je ’s middags daadwerkelijk een van die papieren sieraden weet bemachtigen. Om nu te voorkomen dat je in de uren tussen volgnummer polsbandje lekker in je hotel gaat zitten, zijn er ook nog de zogenaamde row calls, waarbij alle duizend nummers worden opgelezen en jij ‘present’ moet roepen. Vrijdagochtend en –middag heb ik me ouderwets vrijwillig zes uur lang laten natregenen. Ik was blijer met mijn pit-bandje dan met de NS Publieksprijs in 2006. ‘s Avonds stond ik op drie meter afstand van mijn Held (62). Ik (48) voelde me 18. Doorweekt gelukkig.
30 June 2012 - 09:30


