Twitter laadt...

KLUUN
He works for us

23 May 2012 - 09:35

Eigenlijk is dit een volstrekt nutteloos stuk. Zij die het Licht al lang geleden gezien, zullen bij iedere regel instemmend knikken en niets nieuws vernemen; zij die dom en onwetend zijn, zullen meewarig hun domme hoofden schudden. Of, waarschijnlijker, nu al zijn afgehaakt.
Het komt mij persoonlijk voor als schier onmogelijk, maar er schijnen dus mensen te zijn die niet weten dat Bruce Springsteen & The E Street Band de beste live act aller tijden is. Daar hoef je geen fan van de man en zijn band voor te zijn – onder mijn beste vrienden zitten dat soort types – het is een objectieve vaststelling. Net zoals je geen liefhebber van Johan Sebastian Bach hoeft te zijn om te erkennen dat er nimmer mooiere muziek op deze aardkloot is gemaakt, dat je geen heteroseksuele man hoeft te zijn om vast te stellen dat Scarlett Johansson lippen, ogen en borsten heeft die rechtstreeks door onze Lieve Heer aan de stoffelijke wereld zijn geschonken en dat je een broertje dood aan wiskunde kunt hebben en het desondanks weinig in kunt brengen tegen de stelling dat a² + b² = c².² + b² = c².
Ik stapte laat in. Mijn ontmaagding was pas op mijn eenentwintigste, in de Rotterdamse Kuip, op 12 mei 1985, met de Born in the USA Tour. In de loop der decennia heb ik de band gezien in Parijs, München, Amsterdam, Rotterdam, Barcelona, Antwerpen en Landgraaf (en dan ben ik nog maar een halfbakken fan, de echte fan volgt de band door heel Europa zodra ze hier voet aan wal zetten). Ik heb vrienden, buren, neven, collega’s, vriendinnen, verloofdes, echtgenotes en minnaressen meegenomen naar de concerten, om ook hen het Licht te gunnen. Met sommigen van hen die het niet zagen, ben ik nog on speaking terms, maar het wordt nooit meer zoals het geweest is.
Springsteen is rock ‘n’ roll zoals rock ‘n’ roll bedoeld is. Op een concert van Bruce plus Band kun je de klok gelijk zetten. Drie uur schoon aan de haak. Dat is langer dan de carrière van een gemiddelde winnaar van The Voice of Holland. Rolling Stone noemde zijn optreden in Madison Square Garden tijdens de Wrecking Ball tour van vorige maand ‘epic’, New York Times betitelde het als ‘explosive.’ The Boss (61) crowdsurfde, klom op de reling van het balkon en gaf plankgas, drie uur lang.
Als u dit leest ben ik al in Brucalona geweest. U kunt nog naar Landgraaf, maar van mij mag u ook thuis blijven. Als het The Boss Himself al die jaren niet is gelukt om u te bekeren, wat vermag ik dan? Ook de onwetenden, de onnozelen (afvalligen bestaan niet in deze kerk) komen vast wel in de hemel, maar dan nog. Zij die zich bij leven nooit aan een concert van Bruce Springsteen en the heart-stopping, pants-dropping, house-rocking, earth-quaking, booty-shaking, Viagra-taking, love-making – E Street band hebben gelaafd, zullen nooit kunnen bevatten wat Bono bedoelde in zijn speech in the Rock ‘n’ Hall of Fame: ‘They call him the Boss. well that’s a bunch of crap. He’s not the boss. He works FOR us.’

.

facebook twitter

Stuur naar een vriend







doorsturen reageren
Een 31-jarig kind

19 May 2012 - 09:33

Toen ik vijf jaar was dacht ik dat ik ooit in het Nederlands Elftal zou komen. Toen ik tien jaar was dacht ik dat ik ooit met een gitaar in mijn handen en een microfoon voor mijn neus in een voetbalstadion zou staan. Toen ik twintig jaar was dacht ik dat ik ooit een Nederlandse multinational zou leiden.
Het duurt altijd even in het leven om te herkennen waar je talenten liggen en te erkennen waar je talenten niet liggen.
Maar wat goed is komt snel. Er zijn mannen die al rond hun dertigste een miljoenentent hebben opgebouwd. Bill Gates Microsoft, Mark Zuckerberg Facebook. Zonder uitzondering bedrijfstakken waar veertigers en vijftigers de ballen verstand van hadden.
Politiek is anders. Er zijn geen politici die al rond hun dertigste de ervaring, rust, kennis en persoonlijkheid hebben om het grote werk aan te kunnen.
Tofik Dibi is 31 en vindt dat hij klaar is om de politieke partij te leiden waar bij de laatste verkiezingen ongeveer 650.000 mensen op stemden. 650.000, dat is ongeveer net zo veel als de oplage van deze krant, waarvan het opperhoofd 49 jaar oud is. Bij Shell of Unilever zou Tofik Dibi (31) nu net op het punt staan om voorzichtig door te groeien van junior-productmanager naar productmanager.
Voor de vorige verkiezingen volgde ik voor NRC Femke Halsema een week lang. Ik heb nooit GroenLinks gestemd, maar was onder de indruk van de drive, integriteit, charisma, politieke radar en de dossierkennis van Femke Halsema (toen 43). Haar opvolgster, Jolande Sap (49), heeft minder media-uitstraling, maar ze heeft visie en ballen en een uitstekend gevoel voor politieke timing. Bij de PvdA zien ze groen en rood van jaloezie. Onder Jolande Sap heeft GroenLinks laten zien een grote mensen-partij te zijn. Ze willen en durven het spel met de grote jongens mee te spelen. GroenLinks heeft daarbij aan geloofwaardigheid gewonnen bij kiezers uit alle windrichtingen.
Alleen in de politiek kan het voorkomen dat iemand van de statuur en met het cv van Tofik Dibi een week lang de media beheerst als hij zelf vindt dat hij klaar is voor het leiderschap van een partij.
Tofik Dibi doet dat niet voor GroenLinks, Tofik Dibi doet dat voor Tofik Dibi. Hij steekt Jolande Sap een mes in de rug, juist op het moment dat GroenLinks voor het eerst in jaren weer mee dreigt te gaan tellen in het spel om de knikkers.
Het is de megalomanie van een 31-jarig kind.

facebook twitter

Stuur naar een vriend







doorsturen reageren
De Dode Zeehond

12 May 2012 - 08:29

Schrijver zijn is leuker dan de plantsoenendienst. Vorige week mocht ik op uitnodiging van een reisorganisatie naar Jordanië. Dat ‘ik’ moet u niet letterlijk nemen, ‘we’ is meer op zijn plaats. Het was een groepsreis. Mijn agente had de reisorganisatie voorzichtig laten weten dat ik niet voor niets schrijver ben geworden: ik gedij beter in gezelschap van een toetsenbord en beeldscherm dan in een groep. Was geen probleem. Als ik er lustig op los zou twitteren en af en toe een fotootje zou posten, vonden ze alles best.
De cocktail van groep & gids deed de puber in mij herleven: ik confisqueerde direct de plek achter in de bus. Onze gidsen, Marja en Ahmed, vertelden wat we zoal zagen. Marja en Ahmed waren zeer ter zake kundig, denk ik. Je weet het niet. Als ik gids zou zijn, zou ik in ieder geval de nodige fictie erin gooien en kijken hoever mijn geloofwaardigheid zou reiken.
‘De Dode Zee is, zoals u weet, het laagste punt ter wereld. Toch zijn in deze woestijn fossielen van (what’s in a name) dode zeehonden gevonden. In een poging om te overleven, ontwikkelden de zeehonden een spijsverteringssysteem dat zout afscheidde, maar water vasthield, zodat ze, bij gebrek aan zoet water, het water van de Dode Zee konden drinken. Hierdoor werd de Dode Zee almaar zouter en droogde hij langzaam uit: het waterpeil zakte jaarlijks een halve meter. Om uitsterving te voorkomen, paste de zeehonden zich aan de omgeving aan. Ze kregen langere poten, klauwen, een spitse snuit, verplaatsten zich van zee naar land en evolueerden tot het dier dat wij als de lynx kennen. Aan niets is meer te merken dat de woestijnlynx afstamt van de Dode Zeehond, behalve dat hij een voorkeur heeft voor vis. Heeft iemand van u vis bij zich? Gelukkig. Al heeft hij het nog nooit gegeten, de lynx herkent instinctief de geur van vis, en gaat dan tot de aanval over. Mocht u ooit oog in oog komen met een lynx die denkt dat u een vis bent, bent u in acuut levensgevaar, vooral als de lynx ontdekt dat u helemaal niet naar vis smaakt. Dat maakt hem bloedlink (lynx is een verbastering van link). Ga in dat geval direct op uw rug liggen en spuug zo lang als u kunt omhoog de lucht in. De lynx denkt dan dat u een walvis bent, een dier dat hij nimmer heeft gezien, maar waar hij (genetisch bepaald) angst voor heeft en zal, als u geluk heeft, de aftocht blazen.’

facebook twitter

Stuur naar een vriend







doorsturen reageren
kraken, ja gezellig

5 May 2012 - 08:58

Er cirkelde een helikopter boven mijn straat. Als je in Amsterdam woont, kan dat drie dingen betekenen: 1. Er is iemand omgelegd die werkzaam is in een branche waarin het usance is om alleen de eerste letter van de achternaam in de krant te lezen. 2. Er is een huldiging van Ajax. 3. Er is iets oldskool aan de hand: een ontruiming van een kraakpand.
Vroeger was er elke week wel ergens in Amsterdam een ontruiming te bezichtigen en dat was altijd reuze gezellig. Barricades, stenen, huisraad op straat, krakers met koddige bivakmutsen, knokploegen, geinige liedjes en leuzen – in het Amsterdam van de jaren tachtig hoefde je je geen seconde te vervelen.
De kraakpanden anno 2012 zijn oases van rust. Net als vroeger zijn ze nog altijd verwaarloosd, bekladderd en vernield, maar een tevreden kraker is geen druktemaker. Spannend is het al lang niet meer, het heeft eerder iets schattigs, die posters met teksten over de revolutie die eraan zit te komen (Waar? Waartegen? Met wie? Tegen wie?)
Vorige week was het ineens wel weer eens menens. Wild west in de Ferdinand Bol. De ME was uitgerukt in jaren tachtig formatie: zestien pantservoertuigen, een peloton stoere mannen met witte helmen en gevlochten schilden en, zoals gezegd, een heuse helikopter. O ja, en drie krakers. Dan ben je dus snel uitgekeken, als toeschouwer.
Niet getreurd: op weg van het luxereservaat Oud Zuid naar de Jordaan kon ik mijn geluk niet op: op de Lauriergracht was gewoon nóg een ontruiming gaande, joehoe! Ik waande me toerist in eigen stad. Hier was de ME met twaalf busjes, wederom een peloton en een – en dan weet je dat het leuk wordt – echte brandspuit vertegenwoordigd. De tegenpartij met zes (6) krakers. Toen ik arriveerde hadden ze hun pand al verlaten en zich verschanst op een rubber bootje in de gracht. Geen goede schuilplaats, de ME-er met de brandspuit spoot er lusitg op los, het leek een spelshow van SBS6. Het hoogtepunt van de show was het meisje (waarom moeten krakers altijd lelijk zijn? Mag je anders niet meekraken?) dat, inmiddels drijfnat gespoten, was getooid met een vintage wenkbrauwpiering en een kapsel dat ik voor het laasts heb gezien bij Siouxie and The Banshees in 1983. Per megafoon riep ze de ME toe dat ze zich moesten schamen en dat hun moeders vast heel trots op hen zouden zijn.
‘Nee, die van jou!’ riep iemand. Het massaal toegestroomde publiek (SBS zou haar vingers aflikken bij deze kijkcijfers) op de wal, barstte vanaf de wal in een collectief lachsalvo uit.
Topamusement, die krakerij.

facebook twitter

Stuur naar een vriend







doorsturen reageren
Wereldkampioen

23 April 2012 - 06:54

In onze familie zaten vroeger weinig types waar je als kind tegenop keek. Nette, hardwerkende mensen hoor, daar niet van, betaalden keurig belasting, konden met mes en vork eten, deden – volgens ons mam – niet aan sleutelfeestjes en zaten zelden vast, maar niemand die voor een opgroeiende puber echt als rolmodel kon fungeren. Geen oom die bestuurslid van Willem II, exploitant van de schiettent op de kermis (ik kom uit Tilburg) of eigenaar van een platenzaak was.

Nu moet ik mijn vader, een van de grootste Tilburgse filosofen aller tijden, niet tekort doen. Uitspraken als ‘Nie mááuwe, daor krèède dikke bêene van’ en ‘Denken moete aon een pèèrd overlaote, die héé’ne veul grottere kop as gij’ getuigen van grote basale wijsheid. Naast filosoof was ons pa jarenlang Prins Carnaval van Oud Tilburg, maar die andere 361 dagen van het jaar moet je ook wat. Zo tegen de zomer hebben je vriendjes het wel gehad met je carnavalsverhalen.

Het beroep van ome Ad had door het jaar heen wel zekere status, hij was vrijgezel. En in zijn vrije tijd bovendien barkeeper. Als ik als puber met hem in een café op de Heuvel in Tilburg of het Stratumseind in Eindhoven binnenkwam, riepen mensen zijn naam. Dan beteken je wat.

Mijn neef was andere koek. Eigenlijk was mijn neef mijn achterneef, maar neef is beter. Martin Venix werd twee keer wereldkampioen. In 1979 zag ik hem op de wielerbaan van het Olympisch Stadion in Amsterdam wereldkampioen (normaal gesproken moet je als schrijver een woord nooit twee keer vlak bij elkaar gebruiken, hier vond ik het wel mooi staan) wielrennen achter de grote motoren worden en in 1982 werd hij gewoon nog een keer (komt-ie weer) wereldkampioen. Ik hield plakboeken van hem bij, hij was mijn idool. In de weekenden dat het geen carnaval was reisde ik hem met ons pa achterna, naar zesdaagsen en dernywedstrijden in de sportpaleizen van Rotterdam, Gent en Antwerpen.

Afgelopen weekend organiseerde mijn (achter)neef een familiereünie in zijn tuin in Zevenbergen, in een witte partytent met statafels en straalkachels. Ik schudde de hand van mensen die ik vaag kende van begrafenissen. Er kwam een verre achternicht met een exemplaar van Komt een Vrouw bij de Dokter, dat ze van huis had meegenomen. Of ik er een handtekening in wilde zetten.
Het voelde heel vreemd om dat te doen, met Martin Venix, wereldkampioen stayeren in 1979 en 1982, met een biertje in zijn hand, naast me in de partytent.

facebook twitter

Stuur naar een vriend







doorsturen reageren
Oud ijzer

16 April 2012 - 11:26

De man aan de bar stelt zich ongevraagd aan me voor.
‘Van den Burk. André voor vrienden, maar zegt u maar meneer van den Burk.’
De man is op een leeftijd waarop hij zijn tramabonnement al jaren met fikse korting kan aanschaffen. Tussen zijn nek en de boord van zijn overhemd zit speling. Zijn onderlip hangt wat, een mond die verraadt dat André van den Burk veel heeft gepraat in zijn leven. Ik bestel een vaasje en vraag of hij ook iets wil drinken.
‘Ik dacht dat u het nooit zou vragen. Ober, mag ik een goede whisky van u?’
De barman kijkt me aan. Ik knik.
‘Doet u die fles maar, nee, niet die, daar maken ze in Schotland katten mee dood, dat u dat spul überhaupt durft te verkopen, laat ik het niet nogmaals merken, anders bel ik de Keuringsdienst van Waren. Die fles daarnaast, ja, die.’
André van den Burk knikt goedkeurend als de barman een Johnny Walker Blue Label inschenkt en geeft me zijn visitekaartje. Er is geen ontwerper aan te pas gekomen.
‘Ir. A. van den Burk, Opkoper’ lees ik hardop, terwijl André van den Burk zijn Blue Label in een teug leegdrinkt.
‘Wat koopt u zoal in, meneer Van den Burk? Whisky?’
André van den Burk priemt zijn wijsvinger in mijn richting. ‘Kijk uit, meneer, u begeeft zich op het glibberige pad van de humor. Nee, ik zit in het oud ijzer. Helikopters, vliegdekschepen. Die Russen maakten er een zootje van, u heeft geen idee. De hele haven van Wladiwostok ligt vol met die rotzooi. Nooit meer naar omgekeken sinds het einde van de koude oorlog. Schepen, vliegtuigen, helikopters, radarinstallaties, en roesten, meneer, dat spul, roesten… Sommige van die helikopters zitten zó vastgeroest dat we ze los moeten zagen. En waar doe je het voor, vraag je je af, het brengt nog geen tientje de kilo op. Ik zeg wel eens tegen mijn vrouw, moet ik daarvoor iedere dag met de trein naar Wladiwostok? En wat is het beroep waar u mee ledig bent? Ober! Ober! Doet u me nog maar een whisky van deze aardige meneer, en wilt u alstublieft direct de politie bellen als deze meneer me er straks nog één gaat aanbieden?’
Een kwartier later trekt André van den Burk zijn jas aan en bedankt me. ‘U moet een beetje uitkijken met dat trakteren van u. Voor u het weet gaan mensen van u profiteren. Tot genoegen, meneer.’

facebook twitter

Stuur naar een vriend







doorsturen reageren
Ode aan de meters

10 April 2012 - 12:10

Er zijn van die dingen in het leven die een mens bezig blijven houden. Een daarvan is het het Nederlands Meetinstituut.
Het Nederlands Meetinstituut ligt langs de A13, maar daar mag je het niet op beoordelen. Het instituut staat er al zo lang ik de A13 gebruik (meestens op mijn dienstreizen naar de stad Rotterdam, een stad waar ik beroepshalve graag mag komen) en dat prikkelt mijn fantasie. Is alles op een gegeven moment niet alles gemeten wat er te meten valt in een land? Of meet men ook international, dat we in landen als Japan en opkomende economieen niet alleen bekend blijken te staan om onze baggerwerkzaamheden en voordelige prostituees, maar ook om onze meetkunde.

Hoe zou het er aan toe gaan, in zo’n Meetinstituut?
Ik denk zo. Het is maandagochtend, de week is weer begonnen. Rond achten (het zijn wakkere jongens, hoor!) loopt het gebouw vol met werknemers. Eerst koffie, neem ik aan, behalve degenen die geen koffie lusten, die nemen thee, of chocolademelk, of helemaal niets, dat kan natuurlijk ook, en daarna vangt het werkoverleg aan. Een afdelingschef opent de vergadering, wijst iemand aan die deze week de notulen schrijft en dan gaat men in overleg wat ze die week allemaal weer eens zullen meten. De hoogte van het plafond, oppert iemand gemakzuchtig. Een oplettende geest schudt geergerd zijn hoofd. Nee, het plafond is vorige week nog gemeten.
Of gaat het heel anders, werken ze alleen in opdracht? Dat ze gewoon lekker met zijn allen zitten te Rummycubben in de kantine, totdat er iemand belt dat er dringend ergens iets gemeten moet worden? Kun je het NMT bijvoorbeeld bellen als je wilt dat je badkuip gemeten wordt? Of de lengte van je geslacht? Of, als je het zelf wel af denkt te kunnen, dat ze je voor je gaat meten toch even informatie inwint waar te beginnen, bij de balzak of bij de wortel van de penis?

Of richt men zich bij het Nederlands Meetinstituut louter op zaken van algemeen belang, zoals de hoogte van zendmasten of de lengte van de A2? Dat die niet ineens korter blijkt te zijn geworden als het er om gaat. Is het Instituut de steun en toeverlaat van wegenbouwers, die, als ze op het punt staan een snelweg van a naar b (of c) aan te leggen, toch nog even voor alle zekerheid het NMT bellen om te verifieren hoe lang dat traject nou precies is en hoeveel rollen asfalt ze nodig gaan hebben? Dat ze niet op het eind, voor de stad in kwestie in zicht komt, ineens denken, fuckerdekut: tien meter te weinig asfalt bij ons, moeten we dat hele teringend weer terug voor die laatste tien meter.
Nog iets. Hoe zien die werknemers van het Nederlands Meetinstituut (die het instituut zelf afkorten tot NMI, dat scheelt kostbare werktijd) er uit? Zijn het heren die rechtstreeks uit Het Bureau van Voskuil zijn weggelopen? Het beeld dringt zich op van een man in een regenjas, die aanbelt, zich voorstelt als Van Meteren van het Nederlands Meetinstituut, een veelbetekenende stilte laat vallen, en dan mededeelt dat het Instituut er lucht van heeft gekregen dat er inpandig iets foutief gemeten is (‘U weet wel waarvoor ik kom, neem ik aan?’).
En als zulks geschiedt, is het dan raadzaam om te vragen om een legitimatie? Dat je achteraf niet van doen blijkt te hebben gehad met een oud-werknemer van het Instituut, een man die na zijn pensioen clandestien en onverbeterlijk is blijven doormeten, met verouderde apparatuur, zodat je daarna, terecht, alsnog een officiele vertegenwoordiger van het instituut aan de deur krijgt voor een hermeting?
Als plichtsgetrouw columnist heb ik het even voor u opgegoogled.

Ze zijn gespeciliseerd in kansspelen en metrologie, daar bij het Nederlands Meetinstituut, dat vroeger ook wel bekend stond als het IJkwezen (men zei vroeger ‘Hé, dat zal wel een ijk wezen’, maar om het zeker te weten moest er toch altijd iemand van het IJkwezen langskomen).
Men meet bijvoorbeeld de volgende zaken:
# nauwkeurigheid (als ik een kilo product wil, wil ik ook echt een kilo)
# reproduceerbaarheid (ik wil ook iedere keer een kilo)
# fraudebestendigheid (dat u niet genaaid wordt met een ons als u een kilo bestelt)
# controleerbaarheid (ik heb geen idee)

Zo. Is dat ook weer opgelost. Het Nederlands Meetinstituut is dus niet, zoals wij meetleken denken, zo maar een club. Ze zijn een baken in onzekere tijden. Meedogenloos. Punctueel. Plichtsgetrouw. Keer op keer op keer. Tot ze erbij neervallen.
Mooie mensen, die meters.

facebook twitter

Stuur naar een vriend







doorsturen reageren
Poseren

7 April 2012 - 07:35

(vanaf vandaag iedere zaterdag een column in De Telegraaf. Dit is de eerste.)

Er zijn opdrachten in het leven waarop een mens in redelijkheid nooit de juiste respons kan geven. Bijvoorbeeld. ‘Ver voor je uit kijken en niet zo in het stuur knijpen met je handjes en eerst helemaal stilstaan voor je je voetjes op de grond zet’ (als je vier bent).
‘Nog niet komen, nog niet komen, schatje…’ (als je zeventien bent).
Of: ‘Niet bewegen, er zit een slang bij je voet’ (als je in de tropen bent).
Ik ben in het Dylan Hotel op de Keizersgracht en weet dat ik zo meteen ook een schier onuitvoerbare opdracht krijg. Ik ben vaker gefotografeerd.
En ja hoor, daar komt-ie. ‘En nu even een ontspannen blik, Kluun. Doe maar net alsof ik er niet ben,’ zegt de fotograaf. Tuurlijk. Wie kijkt er nou níet ontspannen als er minder dan een meter afstand een man met een grijns en een camera om zijn nek vraagt te doen of hij er niet is. Hij niet en ook de man van het licht niet en de assistente van de man van het licht niet en de assistente van de Telegraaf die in de derde persoon aanwijzingen aan mij geeft. (‘Hé, en als Kluun nou eens daar in het raam gaat staan, met zijn benen wijd, zeg maar, en dan zijn armen gespreid, met zijn handen tegen de kozijnen?’ ‘Als een soort Jezus? Hm, nou misschien werkt dat wel ja, Kluun, zou jij met je benen wijd en je armen gespr-…’ ‘Ja, ik heb het begrepen, ik begeef me in dezelfde kamer als jullie.’)
Eva Jinek is er ook. Zij is al gefotografeerd, ze zal er goed opstaan, mooie blonde vrouwen houden goed op de foto. Heur haar zit in een geregisseerde krul. Mijn krullenbol gedraagt zich als een volstrekt autonoom onderdeel – wat ik er ’s ochtends ook mee doe voor de spiegel, mijn kapsel bepaalt zelf wel hoe het zich in de loop van de dag zal ontwikkelen. Naast haar blonde haren en vuurrode lippen heeft Eva Jinek nog twee features die het goed doen op de foto. U raadt het al. Juist. Haar ogen. Eva heeft het soort ogen waarbij je achteraf alleen maar tegen je vrouw kunt zeggen: ‘Schat, het spijt me, echt, maar al had je d’r bij staan janken: ik had het toch gedaan.’
Het hele camerateam én Eva kijken toe hoe ik in allerlei standen word gefotografeerd. ‘En nu nog even een natuurlijke glimlach, Kluun!’
Het resultaat ziet u op de foto bij het interview met Eva Jinek.

facebook twitter

Stuur naar een vriend







doorsturen reageren
‘Are you with Sender?’

5 April 2012 - 12:00

House, oorspronkelijk begonnen in de clubs in Detroit en Chicago (jawel, ‘house’ komt van The Warehouse in Chicago, een van de clubs waar het allemaal begon in de early eighties) explodeert op het moment in Amerika, ruim twintig jaar nadat Europa overstag ging. DJ Sander Kleinenberg reist maandelijks een of twee keer af naar de VS om te draaien in clubs in Las Vegas, LA, New York en Miami, maar ook in een All You Can Drink Casino bij Lake Tahoe. Vier optredens in vijf dagen. Kluun volgde hem, als field research voor zijn nieuwe roman HOUSE. Tuurlijk, Kluun

Schiphol, donderdag 23 feb, 10.50u
Sander Kleinenberg – hoge gele Yves Saint Laurent-sneakers, leren jack en een paarse muts die ik van zijn flyers herken – loopt zonder instapkaart op de dame af die moet voorkomen dat het gepeupel bij de business class-balie probeert in te checken. Ze vraagt vriendelijk waar we heen gaan. ‘To the moon,’ antwoordt hij flirtlachend. We mogen door. Ik heb, gezien de temperatuurverschillen en eventuele dresscodes in de clubs dik twintig kilo aan jassen, dassen, pakken, shirts, schoenen en sneakers bij. Kleinenberg heeft alleen handbagage, inclusief zijn muziek, voor zes dagen. Op alle zes vluchten en tussenvluchten zal hij deze week dus op De man Met De Hutkoffer moeten wachten bij de bagageband.
Sander Kleinenberg deed vorig jaar meer dan 150 optredens in 28 verschillende landen. Ik heb mezelf opdracht gegeven deze week alleen van zijn zijde te wijken als hij gaat pissen, poepen, rukken of tukken. Dat doe ik in het kader van de field research. Miami, Toronto, Lake Tahoe en LA, en dat terwijl ik deze week ook gewoon lekker naar Ruffelte, Derkzijl, Schaanerbeek, Boerderloon en andere oorden waar schrijvers in de plaatselijke bieb hun gigs hebben, had gekund. In Amerika kent geen hond mij. Van Love Life, de Engelse versie van Komt een vrouw bij de dokter zijn in de VS coast to coast 1.768 exemplaren verkocht, schoon aan de haak.

Op Schiphol lopen we drie Nederlandse producers tegen het lijf. Ze bedenken en produceren alles voor Dash Berlin, een Nederlandse progressive trance act uit de stal van Armin van Buuren. Ik had nog nooit van de gasten gehoord. Stiekem google ik ze op mijn iPhone. Dash Berlin hoort net als David Guetta, Aviicii, Swedish House Mafia en Deadmau5 tot de tien meest populaire dj-acts ter wereld in de dj-Top100 van DJ Magazine. Red hot, overal ter wereld, behalve in Nederland. ‘Waar gaan jullie heen?’ vraagt Sander. ‘LA. Dash doet er Palladium morgen.’ ‘Ah. Ben ik maandag, in Playhouse.’ ‘Op Monday Night Social? Cool. Is een goeie avond.’
Dit is een scene van mannen, dertigers, begin veertigers, met mutsen, sneakers en t-shirts, die business class vliegen en inchecken en pakken zoals George Clooney dat doet in Up in the Air. ‘Dit is mijn natuurlijke habitat,’ zegt Kleinenberg als we in London voor de tweede keer in twee uur tijd onze schoenen uit en riem afdoen voor de security check. Afgelopen jaar landde hij in Moskou, Puerto Rico, Ibiza, Singapore, Kuala Lumpur, Beirut, Lahore, Budapest, Seoul, Shanghai, Buenos Aires, in zowat ieder oord waar de elektriciteit is doorgedrongen.
David Guetta mag dan de eerste plek van Tiesto en Armin van Buuren hebben overgenomen, met Afrojack en Dash Berlin staan er in 2011 gewoon nog snoeihard vier Nederlanders in de top 10 van meest populaire dj’s ter wereld. Fedde le Grand, Laidback Luke, Ferry Corsten en Sander van Doorn horen bij de top 20, Hardwell, de piepjonge stadgenoot van Tiesto, staat dit jaar op #24, en dan hebben we nog Joris Voorn, Don Diablo, Chuckie, Ryan Marciano & Sunnery James, Nicky Romero en – met zijn 40 jaar een ouwe rot – Sander Kleinenberg, die big in de US zijn. Naast baggeren, tulpen en voetballers is house ons triple AAA exportprodukt op de wereldmarkt en ook in de house bevindt die wereld zich steeds meer buiten Europa. De budgetten in Amerika zijn het drievoudige van die in Nederland. Nu house in de VS in de vaart der volkeren aan het doorstoten is en de massa heeft bereikt, trekt de clubs en de festivals in de VS Europa leeg. Dance Valley, Mysteryland en Extrema merken het al: het boeken van headliners is nog moeilijker dan het vinden van een directie voor Ajax.
Hoe komt het dat Sander Kleinenberg in Nederland nooit zo groot is geweest dan in de rest van de wereld? ‘Ik kwam er niet tussen, toen ik begon, halverwege jaren negentig. Amsterdam was van Marcelo, Jean en Dimitri, Remy owned the room in Den Haag en Michel de Hey ruled Rotterdam. Fuck it, dacht ik, ik ga wel naar Engeland en ga daar aan mijn carrière bouwen. Tegenwoordig draait hij enkele keren per jaar in Nederland op de zomerfestivals, af en toe in de provincie en zo eens per jaar in Paradiso, dat dan vaak niet uitverkocht is. Zijn gigs van deze week in Miami, Toronto en LA zijn dat wel. De bulk van zijn jaaromzet, waar hij twee werknemers van betaalt en een aantal internationale boekers en agenten, haalt hij uit de VS.
R&b, hiphop en rock domineerden tot voor kort de mainstream radiostations in de Verenigde Staten, maar die tijden zijn voorbij. Als mainstream Amerika ergens voor gaat, gaat het ook genadeloos. Op radiostations, in restaurants, bars, winkels is dance. Uiteraard vooral de commerciëlere varianten, de kermishouse van Swedish House Mafia, de van-dik-hout-zaagt-men-house van Avicii en de hitfactory van David Guetta Inc, maar in de clubs gaat het, net als in Europa, los op techno, tribal, trance, house en hier en daar zelfs wat minimal. Op de billboards van Las Vegas, waar ooit de namen van the Rat Pack, Neil Diamond en Siegfried und Roy prijkten, staan nu de koppen van David Guetta, Deadmau5 en Afrojack. Kleinenberg: ‘In Vegas zijn zondagbrunches met dj’s waar mensen staan te knallen met hun bestek in de hand en hun mond vol kippenpoot.’

Miami, donderdag 23 februari, 21u
Het is vijfentwintig graden in de avond in Miami. Het terras van het gigantische zwembad van het Fontaineblue Hotel is gevuld met honderden types die vanavond niet voor Sander Kleinenberg komen: buikige vijftigers in smoking, en avondjurkjes maatje waterbuffel op hakken met a free ride to The Institute of Funny Walks. Aan de rand van het zwembad blaast, toetert en strijkt een combo met instrumenten waar je op toetert en blaast en strijkt. De zanger zingt– ik verzin het niet – New York New York.
Wij worden opgevangen door James, een vlotte twintiger, oorspronkelijk uit Londen. Op zijn zeventiende werd hij flyeraar op het strand voor Pacha Ibiza en promoveerde along the way tot creatief opperhoofd. In die hoedanigheid programmeerde hij op zondag de sucesvolle Vagabundos avond van Luciano, deed hij de meerjarendeal deal met David Guetta’s clubavond Fuck Me I’m Famous en haalde hij Swedish House Mafia binnen. Hij is nu twee weken de baas bij LIV Miami, een club die door Reuters als de nr. 2 club van de wereld van nu wordt gezien (op 1: Boom Boom Room in New York) en volgens velen symbool staat de toekomst van het nachtleven: in een groot hotel, draaiend op bottle service (hele flessen die per tafel worden geserveerd) en elke week een top 100 dj.
Wat is het grootste verschil met Ibiza, vraag ik James. ‘In de clubs op Ibiza is de dj het uitgangspunt, hier is de dj slechts een onderdeel, een instrument. Dennis Ferrer werd vorige week in een club hier in Miami na twintig minuten uit de booth gehaald door de manager omdat hij niet commercieel genoeg draaide naar de zin van de promoter. Aan de andere kant is alles hier veel beter geregeld. Miami, Las Vegas en LA zijn geoliede entertainmentmachines, alles is erop gericht om met zijn allen veel geld te verdienen, de service is perfect, er wordt niet gerommeld, het publiek weet waar het aan toe is hier als ze een VIP-tafel boeken…’ (In Ibiza, en vooral in Pacha, heeft de prijs van een VIP-tafel veel weg van een Rad van Onfortuin: afhankelijk van hoe clubwise degene is die de tafel boekt, komt de groep in de nok van de club terecht en waant ze zich in een studentenflat. Tot ze de afgegeven creditcard moet bekopen met een rekening waarvoor diezelfde studentenflat had kunnen worden gekocht, inclusief de campus waarop hij staat.)
Liv is er trots op dat Sender Kleinenburk in da house is. Er worden Kleinenberg-poppetjes, Kleinenberg-zonnebrillen en fluorescerende haarbandjes aan het publiek uitgedeeld. ‘Allright LIV Miami, it is time to wake up…’ roept Kleinenberg en dropt de People club mix van Leisuregroove. All the lonely people, where do they all come from… Het is donderdagnacht tegen tweeen en in Liv Miami komt de confetti uit het dak.

vrijdag 24 februari, 21u, Toronto
In Maison Mercer in Toronto komt er geld uit het plafond. Nepgeld, maar het zet de toon. Toronto is het nieuwe wilde westen, de snelst groeiende stad, economisch gezien, van Noord Amerika en dat is voelbaar. Er wonen ruim zes miljoen mensen, multicultural, booming, en enjoyable. Hier lijkt Europa op een demente, kwijlende opa die zich vaagt herinnert wat er vroeger is gebeurd, maar geen idee heeft hoe hij is beland in het verzorgingstehuis, laat staan wat er om hem heen allemaal gebeurt. Sander draait er regelmatig.
01.59u
In de dj-booth worden de glazen uit ieders hand getrokken en de flessen wodka leeg gegoten. Ik krijg nog een cola en dat is het. Eerlijk gezegd komt het me niet slecht uit. Dat gevlieg, gehotel en getemperatuurverschil begint me al na twee dagen aardig op te breken. Ik wil naar mijn mandje.
02.01u
‘Oh, are you with Sender?’ vraagt de barkeepster me, met bijbehorende dj-booth-knipoog. ‘Keep it down,’ zegt ze. Ik knik werktuiglijk en neem het glas aan. Met een natte wodka te lijmen. Sander wordt op de foto gezet met een blonde Torontiaanse.
03.02u. ‘Ik wil eigenlijk zo snel mogelijk naar bed,’ zegt Sander tegen me. Hij bergt zijn headphone en de usb stick waarop al zijn muziek van die avond staat op. ‘Ik dacht dat je het nooit zou zeggen,’ zucht ik opgelucht. Ik ben gesloopt.
11.24u. Ik word wakker van de telefoon in mijn kamer. Sander is al een paar uur op, zegt hij. ‘Beetje zitten werken.’ Ik uit mijn respect, voel me alsof ze met een stoomwals over me heen hebben gereden. Of we nog even wat gaan shoppen in Toronto, voor onze dochters.
‘Sander?’
‘Ja?’
‘Ben jij wel eens moe?’

Zaterdag 25 16.10 Denver Airport
In de business lounge van het vliegveld ontmoeten we Shaun en Bratt, een dj-koppel dat zichzelf Manufactured Superstars noemt. Ze zijn aan het rocken in de States. ‘This year the money we get for a gig tripled.’ Voor een optreden in Las Vegas krijgen ze nu 50.000 euro, maar voor het geld hoeven de mannen het niet te doen. Ze zijn de oprichters en eigenaren van Beatport, ’s werelds grootse site voor dance tracks. Drie miljoen hits per dag. Manufactured Superstars zijn nu twee weken achtereen on the road, ook zij met alleen handbagage. Op het vliegveld van Reno worden we opgehaald door iemand van de club waar Sander en de Superstars moeten draaien. We moeten een half uur wachten tot de hutkoffer van het sukkeltje van de band afrolt.

23.35 Lake Tahoe
Na een rit van een uur door de bergen komen we aan in Rose Mountain, Lake Tahoe. We hebben vandaag dertien uur doorgebrsacht in auto’s, businees lounges en vliegtuigen om Sander Kleinenberg een set te kunnen laten draaien. Het Mont Blue hotel&casino is the devils arse. Dit is Lloret met roulette. Meisjes van het type hoezozoujegeenminirokmogendragenalsjemaat50hebt?, jongens die zijn weggelopen uit Amerikaanse films over het high school life, van wie je alleen maar mag hopen dat ze voor de film is afgelopen niet de halve school hebben neergeknald met een op de hoek verkregen pistool. Dit is het afvoerputje van de entertainment-industry. Hier is comazuipen folklore. Plastic bekers met drank in de lift, drank in de lobby, drank in de speelzalen en drank in het zwembad, waar de dj’s vanavond op een pool party draaien. Sander doet het hoofdgerecht. Manufactured Superstars, gekleed in de NASA-astronauten-pakken die ze tijdens ieder optreden dragen, zijn het toetje. De mannen zijn schaamteloos plat, de meesters van de kermishouse. De volgegoten twintigers snappen hun set beter dan de sophisticated set van Kleinenberg
Zondag 27 februari, 21.10u Los Angeles
Ik sta in de aankomsthal van LAX bij de bagageband te wachten op mijn koffer, Sander komt terug van buiten, hij heeft de tijd gehad om twee sigaretten te roken. ‘We zijn vanavond uitgenodigd voor een Oscar Afterparty van het glossy Maximin de Hollywood Hills, zin?’
Ik heb zin.
We gaan er heen met Kobe, clubeigenaar, eventpromoter (hij boekte vanmiddag drie footballstadiums in LA en San Diego voor een dance festival met Deadmau5, Tiesto en David Guetta, de LA versie van een avondje Toppers) en bezitter van een huis waar ik mijn laptop onder zou verwedden als ik er onlangs op DVD niet Hank Moody heb zien rondlopen. Ik voel me er als schrijver direct thuis. Ik vraag wat de dresscode is vanavond. Kobe haalt zijn schouders op. ‘Hollywood slick.’ Sander en ik gaan voor jeans, sneakers en t-shirt.
We rijden van zijn huis de hoek om. (‘Hier woont Quentin Tarantino.’) en nog zesendertig hoeken en bochten en belanden bij het feest. Het huis is een kasteel. Iedereen, behalve Kobe en wij, is in pak. Kobe schudt handen, hij is de koning van de apenrots hier. Wij zijn zwaar underdressed, praten een gek taaltje, maar we horen bij Kobe, dus zijn belangrijk, zie ik aan de blikken. Op het feest loopt Jeremy Piven, hoofdrolspeler van Entourage. Ik act cool en geef geen sjoege. Om me heen en zie dat iemand Clay, Trent, Julian, Rip en Muriel uit Less Than Zero heeft gekloond. Het huis zit er vol van. Ik ga zitten met een wodka en in enkele minuten schrijven hele hoofdstukken van mijn nieuwe roman zich vanzelf.
Maandag 28 februari, 10u.
We zitten in een studio. Sander mixt een track af die hij samen met Jamie Cullum heeft gemaakt, ik schrijf de hoofdstukken van HOUSE uit die ik gisteren op de harde schijf in mijn hoofd heb opgeslagen. Ondanks de wodka-tsunami van vannacht rollen ze er als vanzelf uit. Ik ga mijn werkkamer op zolder verruilen voor LA. Veel effcienter.
Maandag 28 februari, 24u
Sander draait in Playhouse en is in topvorm. Hard, funky, raw. In de dj booth gaat het dak eraf. De drank vloeit rijkelijk, genotmiddelen zijn volop aanwezig, vrouwen bieden zich aan als loopse tee… Het is hoog tijd om deze reportage te stoppen. De afloop ziet u in 2013 in een theater in uw woonplaats en in de betere boekhandel. Uiteraard is alles fictie.

facebook twitter

Stuur naar een vriend







doorsturen reageren
Zachte G

26 February 2012 - 16:11

Onderzoeken wijzen uit dat iets meer dan de helft van de vrouwen wel pap lust van dirty talk in bed. Onduidelijk blijft of de overige vrouwen helemaal niet meer met hun man praten of als het om bedverhaaltjes gaat, zich beperken tot het voorlezen van de kinderen (in dat geval valt het te prijzen dat het voorlezen beperkt blijft tot Nijntje en Otje).
Maar goed. Bijna de helft van de vrouwen blijkt dus niet gediend van verbale smerigheid in bed. Dat zet een mens toch aan het denken. Ik heb een pen en papier gepakt, ben eens aan het turven geslagen en wat blijkt: het is lulkoek. Die onderzoekers hebben zich een rad voor ogen laten draaien. (Of ik trek andere vrouwen aan, dat is statistisch ook een optie, maar laten we niet te moeilijk doen, daar is dit het blad niet naar).
We beginnen bij Dorien (de namen in deze column zijn op verzoek van de betrokkenen veranderd). Met Do had ik verkering in seizoen ‘80/’81. Ze was te niet meer te houden als ik haar in haar oor fluisterde wat ik allemaal van plan was met haar te doen, bijvoorbeeld als haar ouders zo meteen met de auto op visite naar oma gingen. De Toyota Corolla (ook namen van auto’s zijn gefingeerd, alsmede die van de in deze column voorkomende huisdieren, middelbare scholen, horloges en filmsterren) was de straat nog niet uit, of Do lag kreunend op haar David Cassidy-dekbed te gillen dat ‘ik haar harder, harder in haar geile natte k(nou ja, u vat ‘m wel, dunkt me). Zestien jaar.
Na Do kwam Marian de Boer, of Marian de Hoer, zoals ze werd genoemd. Nee, ik kan er ook niks aan doen. Wat rijmt is waar en een bijnaam moet je verdienen. Marian stond er om bekend op school dat ze een lijst bijhield welke jongens ze in de loop van het schooljaar had afgewerkt. Dat was nog een hele klus, want AIDS bestond in die tijd nog niet – of wij hadden er in Tilburg nog niet van gehoord – en mannen zijn nou eenmaal groepsdieren, dus het aantal slachtoffers liep behoorlijk in de papieren. Ook ik dacht van God zegene de greep en vervoegde me tijdens een uitgevallen les Wiskunde bij Marian in een hoek van het fietsenhok, waar ze kantoor hield. Marian kon tot op het absurde af geil worden zodra ze in het vuur van spel, nou ja, hoe zal ik het netjes zeggen, door jongens beticht werd van bepaalde seksuele voorkeuren. Dat soort nuttige informatie gaat onder schooljongens als een lopend vuurtje, dus kreeg het kind vrijwel dagelijks daar in het fietsenhok een bak ranzige taal over zich uitgestort dat het een aard had. Ze heeft er zover ik weet geen trauma’s aan overgehouden en is later keurig getrouwd met Barend van Beers. Marian en Barend wonen tegenwoordig in een kast van een huis, hebben drie lieve kinderen, niks mis mee. Heel soms spreek ik haar nog, als Barend op zakenreis is.
Ik zou nog bladzijden door kunnen gaan met bewijsvoering dat de bulk van de vrouwen, of althans mijn tegenspeelsters, wel degelijk van verbale viezigheid gediend is, mits goed getimed en nadien enigszins genuanceerd (‘je weet toch dat ik je respecteer, hè schatje, en dat ik je natuurlijk niet echt een [censuur] [censuur] vind’), maar ik maak even een sprongetje naar Sonja.
A Fish Called Wanda was net uit, u weet wel, waarin Jamie Lee Curtis op staande voet geil wordt van John Cleese, zodra die Russisch begint te praten. Ik was koud geëmigreerd naar Amsterdam. Sonja was een gezellige Amsterdamse, ze woonde in Purmerend, waar alle Amsterdammers wonen. Brabanders en andere provincialen wonen in Amsterdam. Sonja vond mijn zachte G zo schattig. Al in het eerste uur van onze kennismaking in La Bastille (dan weet je het wel) vroeg ze giechelend of ik nog een keer ‘schatje’ wilde zeggen. Ik haalde mijn schouders op. ‘Ja hoor, schatje.’ Een uur later lag ik in een meisjesappartement (poster van dat kussende stel in Parijs aan de muur, poes op de bank) in Purmerend. In mijn jeugdig enthousiasme kon ik het niet laten om tijdens de daad te zeggen dat ik op het punt stond zo meteen in haar geile k(u weet waar ik heen wil) te eh… ejaculeren. Sonja was me voor. Zonder enige waarschuwing, als de brandweer. Met gillende sirene, dwars door al het andere verkeer heen.
‘Er heeft nog nooit iemand mijn kutje geil met een zachte G genoemd,’ zuchtte ze na afloop. Ik woon ruim twintig jaar in Amsterdam en heb sindsdien nooit een poging gedaan te verbergen dat ik uit Brabant kom.

facebook twitter

Stuur naar een vriend







doorsturen reageren
Archief
Zoeken

 
website statistieken
free counter